Stopwoorden

Orde houden kon hij niet. Toch deed hij op zijn manier zijn best het stil te krijgen in de klas. De grootste ordeverstoorders slingerde hij zo nu en dan een driehoek naar de kop, zo’n grote houten exemplaar dat het niet onverdienstelijk deed als frisbee.
Legde hij iets uit, dan praatte hij zo: ‘Deze sst driehoek is sst, sst, gelijkzijdig. Sst.’ Een vriendin in een parallelklas vertelde me dat hij in één lesuur maar liefst 93 keer sst had gezegd. Omdat ik het niet kon geloven sloeg ik ook aan het turven. Tegen al mijn verwachtingen in kwam mijn telling zelfs uit op 96. En intussen was het al die tijd in de klas een teringherrie geweest die hij met zijn slangenkuilerige ge-sst ook nu weer niet had kunnen stoppen.
Zinlozer kan het gebruik van een stopwoord niet zijn.
Een vroegere medestudent kon er ook wat van. Te pas en vooral te onpas zei ze ‘op een gegeven moment’. Zelfs als ze zich in een groepsdiscussie wilde mengen, deed ze dat met die vier woorden. Bovendien herhaalde ze zichzelf daarbij minstens twee keer. Op een gegeven moment, jawel, heb ik haar opgebiecht dat een andere studiegenoot en ik haar vanwege haar woordgebruik ‘op-een-gegeven-momentje’ noemden. Kort daarna kwam tijdens een les de videocamera eraan te pas. Toen we de opnames kregen te zien, keek ze iedere keer dat ze in beeld kwam met een zoveelste ‘op een gegeven moment’ mijn kant op, haar blik steeds beschaamder.
Nee, een mens wordt niet altijd blij van zichzelf.
Een van mijn vroegere supervisanten vroeg zich af waarom de dienstdoende medisch specialist haar tijdens de nachtdienst niet serieus had genomen bij haar vraag om extra pijnmedicatie voor een van de patiënten.
‘Oké’, zei ik. ‘Ik ben nu even de specialist en jij stelt me die vraag op dezelfde manier als dat je het toen deed.’
Zonder me nog aan te kijken begon ze: ‘Meneer de Bruin heeft eigenlijk best veel pijn. Wat ik u eigenlijk wil vragen is uh… of het eigenlijk mogelijk is zijn pijnmedicatie…’
‘Stop maar’, onderbak ik haar. ‘Als je bij de bakker komt, zeg je dan ook: ik wil eigenlijk een halfje bruin en doe er eigenlijk ook nog maar twee krentenbollen bij?’
Ogenblikkelijk had ze door hoe ze zichzelf met haar vele ge-eigenlijk in twijfel trok.
Een stedenbouwkundige waarmee ik als voorzitter van een buurtvereniging een aantal keren om tafel zat, kon niet buiten de de uitdrukking ‘bij wijze van spreken’. Dat resulteerde in zinnen als deze: ‘Dit levert een prettig woonmilieu op waar bewoners elkaar kennen terwijl er toch voldoende privacy is, bij wijze van spreken, en kinderen er ook veilig en vrij kunnen spelen..’
Joop den Uyl, van 1973 tot 1977 minister-president van ons land, begon zijn betoog gewoonlijk met: ‘Er zijn twee dingen.’ Daarna volgde een heel verhaal dat veelal uit veel meer dan twee dingen bestond.
Tja, wat zegt een mens toch allemaal?
Het begripvolle ge-hum heeft bij menigeen plaatsgemaakt voor een instemmend ‘Oké.’
‘Mijn iPhone is gestolen.’
‘Oké!’
‘Mijn man moet aan de dialyse.’
‘Oké!’
‘Er is een vliegtuig neergestort.’
‘Oké!’
Absoluut niet oké allemaal, maar…. ‘moet kunnen!’, jawel.
Voor een aantal mensen komt dergelijke ellende ook nog op een goed moment.
‘Op een goed moment werd mijn iPhone gestolen.’
Hoezo een goed moment? Was het er nog één van de eerste generatie dan en sta je jezelf nu eindelijk toe een andere aan te schaffen?
‘Op een goed moment moest mijn man aan de dialyse.’ Was hij al dermate ziek dat hij ernaar uitkeek of vind je het zelf wel even lekker zo, dat je man drie keer per week een dagdeel van huis is?
Dat een vliegtuig op een goed moment neerstort is voor mij al helemaal onvoorstelbaar.
Er dan nog die reacties waarop je gewoon kunt wachten.
Mijn moeder verzuchtte op momenten dat ze het moeilijk had steevast: ‘’t Is wat…’t Is wat.’
Eén van mijn tantes kreet gelukzalig zodra er gebak op tafel kwam: ‘Wat een feest, wat een feest.’
Proef de kracht van de herhaling.
Komt ook vaak voor bij een ‘nee’ tegen een poes, hond of koter die op het punt staat iets te doen wat ongewenst. Op het eerste ‘nee’ volgt na een korte veelzeggende stilte een tweede ‘nee, nee’.
Doorgaans helpt die herhaling niet en springt de poes toch op het aanrecht, springt de hond toch tegen je aan en trekt de kleine toch de kat aan de staart.
‘Nee, nee’ zijn stellig de meest gebruikte stopwoorden ooit, maar de werkzaamheid is nogal eens twijfelachtig.
‘Ja, ja’ komt vaak als reactie op een ongelooflijk verhaal. ‘Ja, ja, ja, ja, ja’, komt ook voor, heel snel op elkaar en altijd in combinatie met een lach. Vijf keer ‘ja’, al met al.
‘Ja toch?’ Met die vraag ronden hele volksstammen hun inbreng steevast af, onbewust hengelend naar bevestiging. Je zwakt jezelf er zélf mee af, in plaats van krachtig uit de hoek te komen.
In mijn studententijd werkte ik bij een boekhandel, die ik voor deze gelegenheid maar even van de naam De Boekenstal voorzie. Als een van de werknemers een fout had gemaakt, riep de baas altijd uit: ‘Moet de Boekenstal daar dan voor bloeden?’
‘Ach meneer van der Plas’ (ook deze naam bedenk ik nu ter plekke), verzuchtte ik steevast als ik de boosdoener was geweest: ‘Het echte leven begint met bloeden.’
Het ene stopwoord kan dus ook zomaar het andere uitlokken. Heb je ze eenmaal in de peiling dan is het lachen geblazen. Ja toch? Oh, nee! Gauw skippen die twee woorden!

Kopfoto: © FranHogan via Wikimedia Commons

Lees vooral ook: Treinritje (2) om een opmerkelijke stopwoordgebruiker op het spoor te komen.

Deel dit artikel: