Jij of ik

Laatst hoorde ik iemand dit zeggen: ‘En dan word je opgenomen en dan gaat alles heel snel. Je krijgt een operatiejasje aan en een rustgevend medicijn. Je wordt naar de operatiekamer gebracht waar het operatieteam al klaarstaat. Daarna weet je al heel gauw niets meer. En als je dan weer bijkomt uit de narcose, dan heb je dus een katheter, een slangetje dat uit je buik komt, en kan er worden gedialyseerd.’
Omdat er helemaal niets aan mijn nieren mankeert, laat staan dat ik aangewezen ben op een nierfunctievervangende behandeling, hoefde ik het verhaal niet op mezelf te betrekken. Toch werd het mij verteld alsof mij die operatie te wachten stond.
Ik vraag me altijd af of mensen die het over ‘je’ hebben terwijl ze ‘ik’ bedoelen, ook bij de bakker zeggen: ‘Je wilt een tarwebrood.’
Als iets niet leuk is, of moeilijk, zijn mensen dikwijls geneigd het buiten zichzelf te plaatsen. Dan komt het allemaal niet zo dichtbij. ‘En dan krijg je te horen dat je kanker hebt. Nou, dan stort je wereld wel even in.’
Er is nog een manier waarop mensen bij ziek en zeer afstand van zichzelf nemen. In plaats van over ‘mijn’ wordt gesproken over ‘die’ of ‘dat’. ‘Dat been doet zo verschrikkelijk zeer’; ‘Die rotpoot belemmert me in alles.’
Het gebruik van de tweede persoonsvorm in plaats van de eerste kan ook een manier zijn om jezelf minder uniek te maken. ‘Ik was al een eind op weg toen ik merkte dat ik mijn iPhone thuis had laten liggen. Dan ga je niet meer terug.’ Niet alleen ik ga dan niet terug, dat doet niemand. Het wordt veralgemeniseerd: je doet dat niet. Daarbij reken je op bijval.
Uitlatingen als: ‘Heerlijk, die vis’; ‘Eric Clapton is goed’ zijn eveneens sollicitaties naar bijval. Op reacties als: ‘Vind je?’; ‘Mij smaakt die vis van geen kanten’, ‘Eric Wie?’; ‘Die man produceert alleen maar takkenherrie’, wordt niet snel gerekend.
In de zorgsector kom ik de behoefte aan bijval ook tegen. Een verpleegkundige die een patiëntenkamer binnenkomt en monter vraagt: ‘En? Hebben wij lekker geslapen?’ Welbeschouwd een variant op de vraag: ‘Alles goed?’
Pikant kan de vraag ook worden: ‘Hoe hebben wij geslapen?’
Als binnen de gezondheidszorg de eerste vorm meervoud in plaats van de tweede persoonsvorm enkelvoud wordt gebezigd, is de infantilisering een feit. Bij een overvolle urinaal: ‘Hebben wij al een plasje gedaan?’ Bij het gebruik van verkleinwoorden moet je sowieso oppassen. Ter aankondiging van een venijnige steek in arm of been: ‘Ik ga u nu een prikje geven.’ Brrr!
Wat je trouwens als patiënt ook allemaal mag! ‘U mag daar gaan zitten’; ‘U mag uw bovenarm bloot maken.’ Gewone mensen zeggen: ‘Gaat u zitten’, maar in wittejassenland is het: ‘U mag daar gaan zitten.’ Moet je nu als patiënt: ‘Hoi! Hoi! Hoi!’ gaan roepen? Toen ik zelf ooit in het ziekenhuis lag liet ik me weerhouden door de ongetwijfeld goede bedoelingen.
Terug naar ‘wij’.
Volgens onderzoeker Robert Levenson stemt het levenspartners gelukkiger de wij-vorm te gebruiken. Tja, als manlief en ik besluiten samen een weekendje naar Parijs te gaan, kan ik me dat voorstellen. Ook als het zaken betreft waar je samen voor staat, zoals de opvoeding of de koop van een huis. Maar waarom zal ik zeggen dat wij graag skeeleren terwijl hij honderd keer liever op zijn racefiets stapt?
‘Wij’ kan verbinding scheppen: ‘Wij hebben gewonnen.’ Maar het kan je evenzeer in staat van beschuldiging brengen, zoals bij Julio Poch. De voormalig Transavia-gezagvoerder had het over ‘wij’ en de meningen zijn erover verdeeld of hij daarmee doelde op zichzelf, de Argentijnen of de strijdkrachten.
En wat te denken van mensen die zich van de derde persoonsvorm bedienen terwijl ze het over zichzelf hebben? ‘Mama gaat even naar de keuken’; ‘Deze ouwe jongen gaat een lekker biertje drinken.’ Die mama heeft het tegen een peuter, zo veel is me wel duidelijk. Maar tegen wie die ouwe jongen het heeft? Tegen luitjes met wie hij graag popiejopie is? Veel anders kan ik er niet van maken. En zal iemand die over zichzelf op zijn LinkedIn profiel verkondigt: ‘Rudolf weet van aanpakken’, thuis zeggen: ‘Rudolf pakt de krant’; ‘Rudolf laat de hond even uit’?
Dat waar ‘hij’ staat geschreven ook ‘zij’ kan worden bedoeld tenzij anders aangegeven, blijf ik vrouwonvriendelijk vinden. Het is dat mijn voorkeur nog minder uitgaat naar ‘hij/zij’: omdat ik het zelf zo beroerd vind lezen wil ik de lezer daarop niet trakteren.
Toen ik voor het eerst een boer over een koe hoorde zeggen: ‘Hij heeft gekalfd’, kon ik mijn oren niet geloven. Het moest een vergissing zijn. Mis! In de agrarische wereld is het heel gewoon een koe een ‘hij’ te noemen. Volgens mij kun je over dit zeer vrouwelijk dier alleen zo praten als je heel ver van de natuur af staat. Of vloek ik nu in de agrarische stal?
Wat ik maar wil zeggen: laat er geen twijfel over bestaan wie of wat je werkelijk bedoelt.