Kerstclash

Je ziet meteen dat het twee zussen zijn. Hetzelfde hoge voorhoofd, dezelfde neus, dezelfde mond. Hun kledingsmaak is duidelijk heel anders. De een romantisch, de ander casual. De eerste is gezien haar grijzende haar de oudste van de twee. De tweede draagt een bril, een Theo eyewear-montuur in rood en zwart.
‘En dan is er ook nog dat zusje in Utrecht’, zegt de romantisch geklede.
Terwijl ik achter mijn laptop mijn lettertjes bij elkaar zit te tikken spits ik mijn oren om te horen wat er met dat zusje is.

‘Het moet me van het hart dat het als een molensteen om mijn nek hangt dat jij zo’n hekel hebt aan de feestdagen’, hoor ik de stem van de oudste. ‘Dat jij die dagen alleen bent, dóe er wat aan. Organiseer iets met je vrienden, ga vrijwilligerswerk doen, dóe iets. Verbind je, wees positief.’ Ze herhaalt dat laatste woord nog eens waarbij ze de lettergrepen afzonderlijk uitspreekt: ‘Po-si-tief.’
Wat heeft dat zusje in Utrecht hiermee te maken, vraag ik me af. Of zal die casual geklede dat zusje zijn?
‘Sorry hoor’, reageert het gebrilde zusje, ‘maar ik ben niet verantwoordelijk voor jouw gevoelens.’

Ze heeft een punt, denk ik, want schuldgevoelens over hoe een ander zich voelt hoef je alleen maar te hebben als je mensen opzettelijk kwaad doet. Iemand als Poetin zou zich schuldig moeten voelen voor de gevoelens van de Oekraïners. Maar zelf heb ik geen enkele reden me verantwoordelijk te voelen voor de gevoelens die jij nu hebt bij het lezen van deze tekst. Kennelijk voelt die oudste zich schuldig omdat ze geen zin heeft om met dit zusje en mogelijk ook nog dat andere uit Utrecht rond de kerstdis te zitten en enkele dagen later ook nog eens aan de oliebollen. De verantwoordelijkheid voor haar schuldgevoel schuift ze nu door naar dit zusje.  

‘Ik heb al zo vaak geprobeerd met vrienden iets af te spreken die dagen, maar het is een familiefeest’, hoor ik haar in de verdediging gaan.
Ze heeft alweer een punt, denk ik. Het zijn de dagen van eigen volk eerst, echte Wilders-dagen dus. Ik beschouw ze inmiddels als gewone werkdagen zonder afspraken, net zoals carnavalsdagen.

‘En nee, ik ga geen vrijwilligerswerk doen’, reageert de casual geklede verder. ‘Zo’n driehonderd dagen per jaar ben ik in het ziekenhuis een luisterend oor voor de patiënten, ik vind dat ik wel genoeg klaarsta voor anderen. Laatst las ik nog dat zes op de tien alleenstaanden het moeilijk hebben in die dagen.’
‘Maar je moet positief zijn, Marloes.’ Wederom volgt de herhaling in staccato: ‘Po-si-tief. Denk eens aan alle hulp die je dit jaar van je vrienden en ook van onze Joost en Carolien hebt gehad bij het opknappen van je woning. Wees dankbaar!’

Onmogelijk kan ik me nog concentreren op mijn tekst. Ik staar naar het scherm van mijn laptop, alsof ik nadenk. Maar mijn oren zijn nog steeds gespitst.
Marloes reageert precies zoals ik ook zou hebben gedaan op een dergelijke terechtwijzing: ‘Wat heeft dát er nou mee te maken? Ik ben iedere dag nog blij dat het binnen zo is opgeknapt, ik ben daar ook zeker dankbaar voor, maar deze dagen… Ik vind ze gewoon kut, Dorien. Opgeklopt, commercieel en vol verplichtingen. Ook voor mensen die wél met hun familie samen zijn. Kerstmis is een complete kermis geworden. En een vreetfestijn. Waar het werkelijk om gaat weten de meesten niet eens meer. Zes van de tien alleenstaanden voelen zich alleen die dagen, las ik laatst nog. Idem met Oud & Nieuw. Velen van hen vinden de vraag of ze nog steeds geen relatie hebben heel vervelend. Nou, dat vind ik de vraag of mijn familie mij niet uitnodigt.’
Ik sla weer aan het tikken. Zinnen uit het gesprek dat aan het tafeltje naast mij wordt gevoerd verschijnen op mijn scherm.

‘Ik denk niet dat jij het leuk vindt om bij ons tussen de kindjes te zitten’, meent Dorien. ‘De gezinnen van onze Peter en Annemiek blijven de hele week logeren, je moet ’s avonds dus ook gewoon weer terug naar Utrecht. Wij kunnen dit probleem niet voor je oplossen en het komt ieder jaar terug. Jij moet er zelf iets aan doen. Verbind je, wees positief.’
In hoeverre verbind jij je werkelijk met je zusje uit Utrecht, denk ik. En wat is ertegen om eens niet positief te zijn?
Ik denk aan de tijd kort na het overlijden van mijn echtgenoot. Ik was inverdrietig. En kreeg van sommigen ook te horen dat ik positief moest zijn, naar de zon moest kijken. Maar soms moet je huilen, soms moet je vloeken, omdat er nou eenmaal momenten zijn waarop er geen enkele reden is om positief en jubelend van vreugde te zijn. Er waren dagen dat ik maar wat graag het nummer Let it rain van Eric Clapton draaide, soms wel vier, vijf keer achter elkaar. Ik zette soms zelfs de B-kant van een lp van John Lennon op, waarop Yoko Ono alleen maar jammerde en krijste om de dood van haar zoon. Dat vond een van mijn vriendinnen ook negatief. Maar het troostte mij, het verbond mij.

‘Ik verwacht ook niet dat jij mij uitnodigt’, reageert Marloes. ‘Ik hoopte wel op een gezellig dagje Amsterdam met jou in plaats van hier de les gelezen te krijgen. Weet je, ik sprak afgelopen een patiënt waarvan een voet moest worden geamputeerd. Ze vertelde dat haar zoon tegen haar had gezegd dat ze positief moest zijn en zich er maar aan moest vasthouden dat er mensen zijn die een heel been moeten missen. Behalve dat ik het onzinnig vind je te troosten met het leed van een ander, vind ik die hele reactie nogal harteloos.’

‘Laten we er maar over ophouden’, stelt Dorien nu. ‘Wil je naar het Rijks of naar het Van Gogh?’
Ik zou mijn lachen maar moeilijk hebben kunnen inhouden als Marloes had gezegd: ‘Ik wil wel naar het Stedelijk.’ Maar ze kiest voor het Van Gogh.

De namen van Marloes en Dorien zijn gefingeerd.

Kopfoto: Users on Pexels via Wikimedia Commons

Deel dit artikel: