Wat kan die vogel zingen

Die vijftien zwaluwen die ik gisteren zag hebben in ieder geval een eerste zomerse dag opgeleverd. Reden genoeg om na alle noeste arbeid van vandaag mijn fiets uit de berging te halen. Mijn boodschappenfiets, want dat is het enige alternatief dat ik heb nu mijn tourfiets is gestolen.
Ik peddel richting Muiden. Bang voor schapen moet je niet zijn als je via een toeristische route vanuit IJburg die kant op wilt.
Ik hoor meisjesgegil, jongensgeschreeuw. Het gegil klinkt behalve angstig ook ietwat giebelend en in het stoere geschreeuw is een ondertoon hoorbaar van machteloosheid. De scooter van een jeugdig stel is door enkele ooien omsingeld. De knul stormt maaiend met zijn armen richting het vijftal, het meisje rent zich verontschuldigend de andere kant op. Ik beperk me maar tot het schaap dat zich voor mijn wielen begeeft, roep luid en duidelijk bèèè. Terwijl het beest het op een lopen zet, denk ik aan Brigitte Kaandorp. Gaf die niet ooit de tip om heel hard bèèè te roepen tijdens de stoelgang?
Ik fiets verder. Een stel grauwe ganzen is neergestreken in een weiland. De meeste lopen te grazen, enkele andere lijken zich te koesteren in de warmte van deze eerste zomerdag. Rond Schiphol hebben ze olifantsgras geplant om deze dieren te weren. De oogst kan worden gebruikt voor de productie van allerlei plastic artikelen. Kijk, dat is een aanpak van ganzenoverlast die ik liever zie dan vergassen of afknallen. Maar misschien is het plaatsen van zonnepanelen nog wel een betere optie nu het plastic afval een steeds groter probleem wordt.
Merelgezang trekt mijn aandacht. Geweldig, wat kan die vogel zingen. Vogelkenner Jac. P. Thijsse heeft daar meer woorden voor: ‘Prachtig van timbre, laag en vol van toon, rustig van voordracht met af en toe enkele stoutigheidjes naar de dunne en driftige kant. Dikwijls komt hij de menselijke muziek zeer nabij, zowel door de duidelijke vorming van lettergrepen als door de zo goed als zuivere intervallen. Hij maakt graag oefeningen op het akkoord do, mi, sol, do en weet daar soms heel bruikbare loopjes in te lassen.’ Op de plek waar ik eerder woonde huisde een merel die de ringtone van het mobieltje van de buurjongen imiteerde. Maar ja, in de tijd van Thijsse bestonden er alleen nog maar grote bakelieten telefoons met hun karakteristieke belgeluid.
De koekoek blijkt weer in het land. ‘De koekoeksroep kent iedereen’, schrijft Thijsse. ‘We horen hem niet alleen tweelettergrepig maar ook drielettergrepig, niet alleen grote terts, maar ook kleine terts, kwart, zelfs octaaf. Ook heel aardig, om eens een verzameling van koekoeksgeluiden aan te leggen.’ Zelfs op de App met vogelgeluiden die ik onlangs heb gedownload hoor ik alleen maar ‘koekoek, koekoek’ en anders niet.
Helaas zwermen de muggen in groten getale boven het pad langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Bèèè roepen helpt nu niet. Een olifant maak ik liever ook niet van al die muggen, het zou een flinke kudde worden. Dus baan ik me al maaiend met mijn armen en met mijn mond stijf dicht een weg door de zwarte zwerm.
Moeizaam, dat wel.
Ik houd niet van muggen. Niet van hun gezoem dat ze met het fladderen van hun vleugels produceren, niet van hun steken die bij mij de impact hebben van een wespensteek en in mijn mond krijg ik ze liever ook niet. Ik droom er echt nooit van: mug op een toastje, mug in witte wijnsaus, muggenbavarois.
Het luchtruim is weer vrij als ik het Dick Hilleniuspad inrijd. Links en rechts huppelen konijnen. Is mijn waarneming juist dat het er veel minder zijn dan vorige maand, toen ik er eentje met myxomatose zag? Ik mis de konijntjes die er altijd uitspringen: twee zwartjes, eentje met een witte bles en nog een andere met een witte kraag. Nu zijn er wel vaker momenten geweest waarop ik deze exoten niet zag, maar dit keer voelt het anders. Zijn zij het haasje?
Ik fiets de wijk in. Op naar de supermarkt. Wat zal ik vanavond eens op tafel zetten? Ik weet het even niet. Er liggen vast wel weer van die receptenkaartjes. Appie denkt altijd met je mee.