Wachtkamer

Het is rustig in de wachtkamer. Tegenover mij zitten moeder en zoon. Zij een vijftiger, hij een tiener. Zij draagt een montuurloze bril, haar donkerblonde haren met lichtblonde highlights zijn deels opgestoken, haar kleding is fleurig. Hij heeft een beugel, zoals vrijwel iedere tiener tegenwoordig. Verder een kop met weelderig donker haar, een beletterd polyestervest, een donkerblauwe spijkerbroek en Nike-schoenen.
Ze zitten dicht tegen elkaar aan, zeg maar gerust knus, en kijken in een autoblad.
De jongen wijst naar een auto. ‘Dòm!’, zegt hij, met een heel lange ò.
‘Als zoiets achter me rijdt durf ik het eerste uur niet meer in mijn achteruitkijkspiegel te kijken’, reageert zij.
‘Een Humhumhummer!’, zegt de jongen gniffelend. ‘Die is helemáál fout!’ Hij spreekt met veel nadruk, waarbij zijn afkeuring duidelijk doorklinkt in zijn stem.
‘De charme van een zeecontainer’, luidt haar commentaar.
Nu lacht hij voluit, zijn schouders schokken mee. ‘Ik snap niet dat ze zulke lelijke bouwsels bedenken, laat staan máken.’
‘Stel dat ze er niet waren, dan hadden we toch heel wat minder lol.’
‘Dat is waar’, antwoordt hij en bladert gedreven verder. ‘Moet je dít zien! Dat karretje kijkt toch ook met een blik de wereld in van: wat dóe ik hier?’
Zij kijkt aandachtig. Na enig nadenken komt er hoofdschuddend uit: ‘Tja, het is de weg volledig kwijt. Gelukkig is er GPS.’
‘Lol!’, schatert de jongen. ‘Nu maar hopen dat we niet al te veel tijd kwijt zijn bij die tandarts. Anders missen we de aankomst van de Airbus A380. Volgens de planning landt die luchtreus om tien voor half twee.’
Zijn moeder knikt. Het kan natuurlijk ook zijn stiefmoeder zijn. Samengestelde gezinnen komen steeds vaker voor. Volgens de statistieken gaat het daarmee twee op de drie keer mis. De oorzaak wordt dikwijls gezocht bij de stiefouder die niet goed weet om te gaan met een niet eigen kind.
Ik wil daar graag iets tegen inbrengen.
Als biologische ouders, ja ook als pleegouders en gastouders, sta je op een gelijk niveau. Dat geldt niet voor een stiefvader of stiefmoeder: die heeft, als het erop aankomt, geen enkel gezag. De verhouding tussen een stiefkind en een stiefouder kan nóg zo goed zijn, als de bloedeigen ouder het laat afweten bij het ondersteunen van de partner in opvoedingskwesties, is die bio-ouder zélf de ondermijnende factor binnen het stiefgezin.
En dan nog wat. Op scholen wordt bij berichten aan de ouwelui rekening gehouden met het bestaan van samengestelde gezinnen. ‘Aan de ouders/verzorgers van’ is de aanhef. Lijkt me niet leuk voor een stiefouder om voor verzorger te worden gehouden. Doet in plaats van aan een warme band aan beroepen denken als kinderverzorgster en interieurverzorgster.
De jongen tegenover mij legt het autoblad aan de kant. ‘Ongelooflijk toch dat zoveel ton staal, aluminium en weet ik wat allemaal nog meer, zo door de lucht gaat,’ babbelt hij verder. ‘Weet je nog dat we met de Kerst zo giga hebben staan blauwbekken toen de Antonov An225 op Schiphol neerstreek?’
Zelfs ik weet dat nog, want ook ik was er getuige van dat het grootste vliegtuig ter wereld voor het eerst de Amsterdamse luchthaven aandeed. Ruim zeven uur wachten en koukleumen ging vooraf aan dat onvergetelijke moment waarop drie lichtbundels in het inmiddels mistige donker priemden, een immense schim met de herrie van een drilboor over het publiek heen kwam en in een flits de twee grote afhangende vleugels, de 32 wielen en het enorme stabilo te zien waren.
‘Nou en of ik dat nog weet’, zegt de vrouw. ‘En ook dat we er twee dagen later weer stonden om de kist te zien vertrekken.’
De deur van de behandelkamer gaat open. Een man van achter in de zestig stapt naar buiten. Hij is helemaal gekleed op een jeugdige uitstraling. Een kekke rode bril, een hippe rode broek, een wit met rood en zwart geruit overhemd, een zwart leren colbert. Zijn gezicht is gladgeschoren, evenals zijn hoofd. Je moet ervan houden. Met een innemende glimlach zegt hij moeder, zoon en mij gedag.
De tandarts in zijn witte doktersjas is nu ook in beeld. Ook hij groet ons alle drie en maakt vervolgens een uitnodigend gebaar naar de jongen.
‘Toi, toi, jongsel’, zegt de vrouw terwijl de knul opstaat.
In de stilte die de wachtkamer vult, is weldra het geluid van de gillende boor te horen. Het blijft een naargeestig geluid.
Er klinkt een belletje. Een volgende patiënt komt binnen. Een vrouw van dezelfde leeftijd als de vrouw die recht voor me zit en inmiddels een fan blijkt te zijn van de strip van Jan, Jans en de kinderen; de ene Libelle na de andere slaat ze open op de op één na laatste pagina.
De nieuwkomer neemt plaats zonder te groeten. Ze ziet er afgetobd uit en is geheel in het zwart gekleed. Of ze in de rouw is, ik weet het niet, maar ik sluit het verlies van een dierbare niet uit.
Ineens ben ik benieuwd naar de vader van die jongen die nu met wijd geopende mond in de tandartsstoel zit. Wat voor iemand zal dat zijn? Zal hij nog in leven zijn? Zo ja, dan interesseren vliegtuigen hem allesbehalve. Wat zullen vader en zoon wél met elkaar delen? Ik krijg zo maar het beeld van een sportieve pa die in de zomer met zijn kind een robbertje voetbalt en in de winter in is voor een stevig sneeuwballengevecht.
Papaatje kan natuurlijk ook stiefpa zijn. Opmerkelijk toch dat alleen de stiefmoeder een slechte reputatie heeft. Als de bio-pa de stiefma niet steunt, is uitgerekend zij het die stiefmoederlijk wordt bedeeld.
Daar komt het jongsel de behandelkamer uit.
‘Mijn eerste gaatje’, zegt hij en trekt een quasi-pruilgezicht. Meteen daarna lacht hij al weer. ‘We kunnen de A380 nog zien aankomen!’, hoor ik hem nog net zeggen terwijl de tandarts en ik elkaar de hand schudden.
Een kwartier later ben ik ook een vulling rijker.