Van het beurtbalkje en de patattenzak

Het is druk bij de plaatselijke supermarkt. Eindelijk aan de beurt om mijn boodschappen af te rekenen, grijp ik naar het langwerpige plastic driehoekje om mijn inkopen op de kassaband te scheiden van de koopartikelen van de klant voor me. Hoe dat ding heet?
Van mensen die een inburgeringscursus hebben gevolgd, wordt verwacht dat ze het weten. Maar wie van degenen die in Nederland geboren en getogen zijn, weet hoe dat zo’n ding heet? Weet jij het?
Zo niet dan weet je het nu: het heet een beurtbalkje.
Het woord doet mij denken aan zo’n zwart balkje dat de ogen van een (mogelijke) misdadiger bedekt. Die is aan de beurt. Maar nee, in dit geval betreft het een censuurbalkje.
Het woord beurtbalkje is bedacht door lezers van het maandblad Onze Taal. In 1996 plaatste dit populairwetenschappelijke tijdschrift een oproep om een woord te bedenken voor het grenslatje. Meer dan eens werden de termen beurtbalkje, kassabalkje, klantenbalkje, klantenwig, devider en stopper genoemd. De Taaladviesdienst ging voor het allitererende woord beurtbalkje. In 2005 is het woord opgenomen in de Van Dale. Het woord zou dus ingeburgerd moeten zijn, maar tot op heden heb ik geen mens gesproken die het kent. Kan aan mij liggen natuurlijk, of zeg maar aan de kringen waarin ik mij begeef. In ieder geval spreekt het woord mij niet aan. Het hele ding trouwens niet. Het is één van die dingen waarbij ik niet werkelijk stilsta in het leven. Ook wachtend bij de kassa gaan mijn gedachten heel andere kanten op.
Voor lang niet alles in het leven bestaat een gangbare term die bovendien lekker in de oren klinkt.
Als je van je partner scheidt is er het woord ex, eventueel in combinatie met vrouw of man. Is je partner overleden, dan klopt het niet te spreken over een ex. Maar als je hem of haar mijn man of mijn vrouw blijft noemen, wek je de indruk dat je getrouwd bent in plaats van weduwe of weduwnaar. Wat rest is mijn overleden man/vrouw. Mensen goedheid, wat een mond vol! Mijn ex is er zo uit, maar mijn overleden man/vrouw… Daarmee wek je toch vooral de indruk dat je het over zijn/haar dood wilt hebben, zelfs als dat in de verste verte je bedoeling niet is. Alternatieven zijn wijlen mijn man/vrouw en mijn man/vrouw zaliger. Uit het jaar stof daterend.
Ik herinner me een Neerlandicus die rort als gangbare term wilde invoeren voor de behoefte aan roken. In dezelfde trant dus als dorst voor de behoefte aan drinken en trek en honger voor de behoefte aan eten. Van rort heb ik nooit meer gehoord. Klaarblijkelijk ben ik de enige niet die het woord nauwelijks uit de strot krijgt.
Marten Toonder, de geestvader van de Bommelsaga, was een echte woordkunstenaar. Neologismen als minkukel, denkraam, zielknijper, grootgrutter en bovenbazen komen allemaal uit zijn koker en zijn gemeengoed geworden. Ook het duo Van Kooten en De Bie heeft woorden gelanceerd die makkelijk de weg binnen de Nederlandse taal vonden. Denk maar aan doemdenken, crommunicatie, geilneef, positivo en bloosloos.
Het woord stieflief voor een stiefkind heb ik zelf enkele jaren geleden geïntroduceerd op een stiefmoederforum. Inmiddels bestaat er zelfs een website met die naam. Ook de naam die ik ooit voor een stiekeme collega bedacht, is gemeengoed geworden: gluipmuis. Deze beide vondsten kenmerken zich door binnenrijm, maar dat is toevallig.
Tja, krijg iets maar eens bedacht. Meestal is het er ineens.
Een slettige, slonzige vrouw wordt als een sloerie bestempeld. Een Belgische vriendin noemt de mannelijke variant een sloestie. Ik leerde haar enkele jaren geleden kennen op het strand van Bergen aan Zee. Ze zat aan de vloedlijn en creëerde het ene na het andere torentje van een omvangrijk druipkasteel. Op mijn vraag of ik haar mocht helpen antwoordde ze met een innemende lach: ‘Allez, maar natuurlijk!’ We raakten aan de praat en uiteindelijk aan de wijn in een strandtent die zichzelf graag als hip, booming en vooral ook kunstzinnig ziet. Sloesties scharrelen er graag rond, op zoek naar een vakantieliefde. Een sloestietent dus.
Nu weer terug naar de supermarkt.
Een giga dikke man waarvan je niet mag hopen dat hij ooit in het vliegtuig op de stoel naast je komt te zitten, legt een beurtbalkje achter mijn boodschappen. Twee grote flessen Coca Cola zet hij als eerste op de kassaband. Daarna slingert hij er enkele grote zakken chips op en een zak candybars, gevolgd door een doos met daarin een klassieke pizza kaas/tomaat en een bak volle aardbeienkwark. Zal hij dat vanavond in zijn eentje opsmikkelen voor de tv?
Tja, je weet het niet.
Kerels van het formaat Arthur Docters van Leeuwen en Bas van Werven vallen bij mijn Belgische vriendin onder de noemer patattenzak. Een blik in het Vlaams Woordenboek leert mij dat er voor dit woord in deze betekenis zelfs nog enkele synoniemen zijn, waaronder een zetelpatat.
Prachtig! Toch?
Misschien ligt het aan mij, maar ik heb me nooit aan de indruk kunnen onttrekken dat er – in elk geval in het Nederlands – meer negatieve benamingen voor vrouwen bestaan dan voor mannen. Vandaag, 27 september 2013, Taalkronkel Vrijdag volgens Het Genootschap Onze Taal, breek ik graag een lans voor enige verschuiving in dit discriminerende fenomeen.
Ik denk zomaar dat ik me hiermee toch weer eens zeer verdienstelijk heb gemaakt.