Uil in oven, kokodi kokoda

Even over die uil uit dat liedje. Vroeger dacht ik dat die vogel in de oven zat in plaats van in de olmen. Als kind had ik geen idee wat olmen waren, domweg nog nooit van gehoord. Een boom, was een boom, was een boom.
Overigens hoeven olmen helemaal geen bomen te zijn. Het kunnen ook salamanders zijn, grotsalamanders om precies te zijn.
Een uil in de oven kon ik me alles bij voorstellen, een kip gaat er immers ook in.
Er zijn wel meer woorden waarvan ik later pas ontdekte dat ik ze altijd verkeerd had uitgesproken.
Beter mee verlegen dan om verlegen, was voor mij lange tijd: beter mee verlegen dan onverlegen. Onverlegen moest wel heel brutaal zijn, dacht ik.
Een buddyseat hield ik jarenlang voor een bodyseat. Logisch toch, de vetkuiven uit die tijd lagen languit met hun body over de tank en een deel van de seat van hun Zundapp, Kreidler of Florett. Daarom gingen die brommers ook door voor buikschuivers.
Ik denk zomaar dat iedereen wel dergelijke vergiswoorden heeft. Een vriend van mij zong vanuit zijn kinderlijke onschuld in plaats van de moeilijk te vatten eerste regels uit het twaalfde vers van Psalm 81 ‘Opent uwen mond, eist van mij vrijmoedig’: ‘Opent nu de mond, ijsje voor mijn moeder.’
Hele volksstammen hebben het over een ‘spiege-loog’ terwijl ze een psycholoog bedoelen. Om diep in de psyche te kunnen schouwen is de kunst van het spiegelen natuurlijk zeer welkom, dat dan weer wel.
Een keer hoorde ik iemand zeggen dat bij de presentatie een ‘be-amer’ werd gebruikt. Dat kon ik weliswaar beamen, maar bedoeld werd natuurlijk een ‘biemer’ (beamer). Van eenzelfde soort is de opmerking dat de vlucht zou plaatsvinden in een ‘boe-jing’ (Boeing).
Tijdens de Luchtmachtdagen 2014 wees de verslaggever erop dat een Cessna geen ‘tjèsnaa’ is, maar gewoon een ‘sèsnaa’. Terwijl ‘tjèsnaa’ dus net zo fout is als ‘boe-jing’, wordt in het eerste geval aan chique gedacht, in het tweede aan dom.
Chique is het ook om het te hebben over de ‘muhnèèsjuh’ (manege) in plaats van over de ‘muhneesjuh’.
Ik herinner me een advertentie waarin werd aangekondigd dat het tenniscollege weer van start ging. Het ‘tanniskollèèsjuh’! Mensen die ‘tannissuh’ (tennissen) hebben natuurlijk ook een ‘karaasjuh’ (garage) in plaats van een ‘garaasjuh’ waarin ze hun auto stallen. Hun ‘autoo’, hun ‘auwtoo’, hun ‘ootoo’, of toch maar liever hun wagen? ‘Auwtoo’ valt uiteraard af: dat behoort tot de categorie ‘boe-jing’, ‘be-amer’ en ‘spiege-loog’.
Wat zullen ‘ootoo’-zeggers trouwens eten: een gebakje of een taartje?
Een gebakje is natuurlijk ook een auto, zo’n klein damesautootje waarbij je nou niet meteen aan een ‘karaasjuh’ (garage) denkt. Of die ‘karaasjuh’ moet minimaal zijn opgeleukt met gordijntjes voor de ramen.
Mensen die een taartje eten, dragen ook een kostuum in plaats van een pak, een pantalon in plaats van een broek, een ‘kolbèèr’ (colbert) in plaats van een jasje en een japon in plaats van een jurk. Ze eten geen toetje maar gebruiken een ‘dèssèèr’ (dessert), hebben geen honger maar trek, lopen op het trottoir en niet op de stoep, worden zo nodig vervoerd in een ambulance en zeker niet in een ‘zieke-autoo’, wonen niet in een huis maar in een woning, en in die woning zal je geen buffetkast aantreffen maar een dressoir, geen stoelen maar fauteuils, geen wc maar een toilet. Als ze cello spelen heet het instrument een ‘tjèlloo’ en zeker geen ‘sèlloo’.
Denk nu niet dat in de tijd van de bandrecorders binnen deze kringen gesproken werd over de ‘bèntriekorduhr’. Het foutloos gebruik van Franse woorden, uitdrukkingen en zelfs zinnen getuigde in de eerste helft van de twintigste eeuw van een hoog opleidingsniveau en een zeer goede status. Ook toen al vond menigeen Engelse/Amerikaanse woorden ordinair, schreeuwerig. Nee, als je trots over je mooie nieuwe ‘bèntriekorduhr’ sprak, ging je even hard af als de vrouw die in het destijds door Mies Bouwman gepresenteerde tv-programma Eén van de acht, op de lopende band een ‘sèntriefoeguh’ (centrifuge) had zien voorbijkomen.
In diezelfde tijd werd er ook nog verwoed getypt op typmachines. Een echte goede secretaresse ‘tiepte’ niet, zij ‘teipte’. Maar als je die goede secretaresse niet mocht, zei je niet: zij is mijn teip niet.
Mensen die spraakverwarring willen vermijden spreken juli uit als ‘julei’ en zeven als ‘zeuven’. Omdat je juli makkelijk kunt verstaan als juni en zeven als negen. Denk je dat je vliegtuig op negen juli vertrekt, is het op zeven juni al gevlogen.
Er is een liedje, in allerlei talen nog wel, over een dode haan die niet meer ‘kokodi kokoda’ zal kraaien. Ik heb het een haan nog nooit horen uitkramen. ‘Kukeleku’ trouwens ook niet.