Treinritje

Langzaam zet de trein zich in beweging.
‘Ik moet naar de toilet’, zegt de jongen die tegenover me is komen zitten zodra de reusachtige gele rups het station uit rijdt. Aan zijn stem en de lach die erin doorklinkt is te horen dat hij geen hoge nood maar grote zin heeft in een toiletbezoek.
‘Dat dacht ik al’, zegt de vrouw die met hem reist. Ook zij lacht. Het klinkt lollig samenzweerderig.
Terwijl de jongen opspringt en het gangpad inloopt op weg naar de wc, kijkt zij naar buiten. Ik ben al enkele pagina’s verder in mijn krant als de jongen zich weer aandient.
‘Niet te geloven’, zegt hij. ‘Echt niet te geloven!’
‘Ik zei het je toch?’, lacht zijn moeder.
Alhoewel, zal het zijn moeder zijn? Qua leeftijd zou het zo maar kunnen, maar de knul lijkt uiterlijk in niets op haar.
‘Dat die hele shitzooi zo op de rails valt! Bizar!’, zegt hij.
‘Daarom is het ook not done om naar de wc te gaan als de trein op een station staat.’
‘Ik vind het maar goor. Nou ja, elanden, wilde zwijnen en weet ik wat er nog allemaal meer in de vrije natuur rondstruint, laten hun uitwerpselen ook overal vallen. Alleen leveren die er geen hele slierten toiletpapier bij.’
Ik denk aan de spoorbrug in Geldrop. Toen ik nog in Eindhoven woonde en in Geldrop werkte, moest ik daar met mijn fiets onderdoor. Kwam er een trein aan denderen, dan trapte ik altijd even wat minder snel. De stalen constructie van die brug biedt namelijk volop ruimte voor het doorlaten van spetters en klodders. Ik begrijp heel goed dat kruisingen met een spoorweg doorgaans zijn ondertunneld.
‘Zal hij goed zijn?’, vraagt hij.
‘Ja, natuurlijk is hij goed. Het vorige concert dat hij gaf was ook keigoed.’
‘Lekker klappen na ieder nummer.’ Het joch slaat drie keer in zijn handen. Nooit geweten dat iemand zo hard kan klappen. De oudere heer links naast mij kijkt geïrriteerd op van zijn boek. Titel: Alsof het voorbij is.
‘Sssst’, zegt de vrouw. ‘Bewaar dat maar voor straks.’
‘De auto heeft het op het moment ook zwaar te verduren’, babbelt het jongsel verder.
Een verbaasde blik van zijn moeder.
‘Pappie heeft vast en zeker een klassieke zender op staan. Viool. Cello. Orgel. Als we morgen of overmorgen weer samen naar Schiphol gaan, laten we hem wel bijkomen met Eric Clapton of Joe Satrinai.’
‘Wie laten we bijkomen? De auto?’ Zij lacht aanstekelijk.
‘Op school denken ze dat ik bij de ortho zit’, gniffelt de knul.
‘Ze zullen zich daar op dit moment het hoofd wel breken over magnetisme, toch?’
‘Ja, ze hebben nu natuuuuuuuuuuuuuuuuuurkunde. En dan te bedenken dat die kerel zegt dat natuuuuuuuuuuuuuuuuuurkunde het allerbelangrijkste in het leven is. Die is niet goed!’
Zij vertelt nu over haar natuurkundeleraar van destijds. Een man die nooit een lager cijfer gaf dan een vier. Zo’n score was al moeilijk zat om op te halen, een twee vrijwel zeker onbegonnen werk.
Aan de andere kant van het gangpad wordt ook druk gepraat. Twee vriendinnen, zo te zien. Duidelijk allebei ouder dan de vrouw tegenover mij.
‘Zie je hem eigenlijk nog wel eens?’, hoor ik de één de ander vragen.
Het ontkennende antwoord klinkt gelaten.
‘Hij was altijd zo gek met je. Jij was het toch die van alles met hem ondernam terwijl zijn vader altijd maar achter zijn computer zat te schrijven over opvoeding. En natuurlijk aan het mailen was met die slettebak.’
‘Het gaat me nog altijd aan het hart als ik eraan denk hoe die lieve jongen huilde toen ik mijn koffers pakte. Ach, zijn vader heeft hem natuurlijk…’
‘Goedemiddag, uw vervoersbewijzen alstublieft’, komt de conducteur er dwars doorheen.
Er wordt in jaszakken getast, in tassen gegraaid, portemonnees komen tevoorschijn.
‘U moet de volgende halte overstappen, perron twee’, zegt de man tegen de beide dames.
‘Vandaag zag ik weer eens zo’n afschuuuuuuuuuuwelijke Renault Avantime rijden’, kletst de jongen tegenover me verder. ‘Onbegrijpelijk dat ze zo’n monstrueuze tent ooit hebben kunnen fabriceren.’
‘Hij roept in elk geval emotie op’, aldus de vrouw naast hem.
‘Dat jij toch ooit folders van zo’n auto hebt kunnen halen voor mijn verjaardag’, lacht hij. ‘Ik snap niet dat je in alle ernst hebt kunnen zeggen dat je interesse had in dat bouwsel.’
Zij knijpt hem in zijn bovenbeen. ‘Voor jou doe ik dat.’
Uit de flarden in de discussie die naast mij weer verdergaat, maak ik op dat het gaat om een voormalige stiefzoon. ‘Als stiefmoeder heb je het nakijken’, vang ik op.
Ineens weet ik hoe het zit met die twee tegenover me. Een stiefmoeder en een stiefzoon samen op weg naar een concert. Want behalve dat hij uiterlijk in niets op haar lijkt zou zij hem natuurlijk al veel en veel eerder vertrouwd hebben gemaakt met het fenomeen treintoilet.