Tramritje

Het is vol in de tram. In het middenpad staan de mensen dicht opeen, ik ben blij dat ik zit. Eén van de nadelen van mijn geringe lichaamslengte is dat ik te midden van een mensenmassa op zeer geringe gezichtsafstand geconfronteerd word met harde rugzakken, zweterige oksels en dikke boeza.
De wagen – bij trampersoneel heet een tram een wagen – is er één van het type BN 12G, voor iedere leek makkelijk te herkennen aan de verlaagde middenbak. In de volksmond worden ze daarom wel ‘hangbuiken’ en ‘buikschuivers’ genoemd.
Naast me zit een meisje met een zwarte jas en een hoofddoek met tijgerprint. Ze lurkt aan een flesje Fanta. Dat gaat niet zonder smakkende bijgeluiden.
Voor ons zit een ouder echtpaar, de vrouw het dichtst bij het raam. WK staat erin gekrast. Allerlei krullen en kringels eromheen. De vrouw houdt haar camera in de aanslag. Het Stedelijk Museum. Klik. Het Spui. Klik. Het Paleis. Klik. Wat er op al die plaatjes te zien zal zijn van dat WK?
Twee meiden in het gangpad giebelgeiten over iemand die ze niet mogen.
‘Die jurk die ze aan had. Net een tent. Het kleinste maatje De Waard-tent!’, gniffelt de langste.
‘Heb je die schóenen gezien?’
‘Ja, de charme van een olifant.’
Hun lachen overstemt het getetter dat uit de mp3-speler achter me komt.
Het meisje naast me heeft intussen een zak chips opengetrokken. Paprikachips zo te ruiken. Laatst stond er een vrouw naast me in de tram te ontbijten. En omdat zij stond en ik zat, hield ze het brood zodra ze niet at zo ongeveer onder mijn neus. Brood met pindakaas. Als ik iets smerig vind is het pindakaas. Alleen al de geur roept spontaan braakneigingen bij me op.
Van de paprikachips wil ik wel een graantje meepikken. Tegen etenstijd vergroten hartige geuren mijn trek. De ene chip na de andere kraakt tussen de kaken van de moslima.
Achter ons gaat een mobieltje. Een ouderwetse ringtone die me herinnert aan mijn Nokia van weleer.
‘Nee, dat wil ik niet’, hoor ik degene die hem opneemt. ‘Nee, ik wil niet dat je daar blijft eten…. Je komt nu naar huis…. O ja? Zeggen jouw vriendinnen dat. Nou, daar heb ik dan niets mee te maken…. Je hebt me gehoord. Ik zit nu in de tram, over een kwartier ben ik thuis. En jij ook. Ik zie je zo.’
Het meisje naast me stopt het Fantaflesje en de chipszak in haar tas die op de grond staat. Ze haalt een iPhone uit haar zak. Met vloeiende duimbewegingen bekijkt ze de laatste berichten op Facebook. In een razendsnel tempo tikt ze met haar duimen zo nu en dan een reactie. Zonder dat ik dergelijke bewegingen in het overgrote deel van mijn leven heb hoeven te maken, kamp ik al geruime tijd met pijnlijke duimgewrichten. Hoe zal dat bij haar en haar leeftijdgenoten zijn, zo’n 30 jaar na vandaag?
Met een knarsend geluid komt de tram tot stilstand. Braakt een groot deel van de passagiers uit. De meeste checken uit. Ik blijf het een onvriendelijk systeem vinden, die ov-chipkaart. Onbekend met de werkwijze? Met je hoofd ergens anders? Het kost je direct duiten. Problemen liggen ook op de loer met de belasting. Ja, de be-las-ting. Want als je woon-werkverkeer als aftrekpost hebt opgevoerd, kan deze dienst over een periode van vijf jaar van je verlangen dat je je reishistorie overlegt. En dat terwijl een vervoersbedrijf in verband met de privacywetgeving reisgegevens maximaal anderhalf jaar mag bewaren. Leuker kunnen ze het niet maken, dat zie je maar weer.
Bij de volgende halte verlaat het moslimmeisje ook de tram. Nu kan ik breeduit gaan zitten in het zo goed als lege voertuig. Sommige mensen vragen zich af of je degene die naast je zit in trein, bus, metro of tram beledigt als je naar een lege bank verkast zodra er ruimte vrijkomt. Beatrijs Ritsema, de weet-raad-mevrouw van het dagblad Trouw, vindt een dergelijke move zeker niet onbeleefd. Immers, niemand ploft naast een andere onbekende neer als de drukte dat niet noodzakelijk maakt. Mensen gunnen de ander en zichzelf de ruimte. Ze wijst erop dat het tussen onbekenden in een besloten ruimte de regel is om fysieke afstand te maximaliseren. Dat het als agressie geldt om als binnenkomer in een bioscoop met honderden lege plaatsen, naast een reeds aanwezige te gaan zitten. Daar kan ik me in verplaatsen. Zeker weten dat ik me zeer unheimisch voel als een onbekende zich op die manier aan mij opdringt. En ook zeker weten dat mijn trambuurmeisje me geenszins zou hebben gekwetst als ze van plaats was veranderd. Dat ze bleef zitten kwetste me evenmin.
Zoals ik het in de auto verdraag dat ik geregeld in de file sta, dat er soms treuzelaars zijn, dat de verkeerslichten bijna altijd kwiek voor mijn neus op rood springen, zo verdraag ik het bij het openbaar vervoer dat ik geregeld op een duimbrede afstand van een onbekende zit, dat er soms vieze luchtjes hangen en er bijna altijd wel iemand druk telefonerend de herrie van een geluidswagen probeert te overstemmen. Maar als iemands rugzak op een vervaarlijke afstand mijn gezicht nadert, bescherm ik mezelf. Gewoon door die ransel met zachte hand een andere kant op te duwen. Irritant dat maar zo weinig mensen zich realiseren hoe hun rugzak soms kan uitpakken. Al kon ook ik mijn lachen niet houden toen een medecongresganger in de salon van een chique hotel met zijn backpack een zeer grote vaas omstootte.
De tram stopt bij het Centraal Station. Ik houd mijn OV-chipkaart voor de kaartlezer. Mijn volgende tram staat al op wacht.