Trammastkraaien IV

Vlieg er eens uit. Dat staat in deze tijd van het jaar op het programma van het vogelkroost. Maar zelfs al zit de kunst van het vliegen in de genen opgeslagen, dan nog lukt het niet zo maar even van het ene op het andere moment.
Voorzichtig trippelt het enige nog levende trammastkraaienjong vanuit het nest naar het midden van een zijarm van de trammast. Een aantal meters lager ligt het broertje of zusje te vergaan. Uit het nest gevallen, gewaaid of geduwd.
Behoedzaam dribbelt de overlever weer terug richting nest. Hij wipt op de rand van zijn geboorteplaats en slaat een paar keer met zijn vleugels, de manier om spierkracht te ontwikkelen. Opnieuw gaat hij richting uiteinde van de zijarm, zij-sluit, zij-sluit. Op het uiterste puntje blijft hij zitten, tuurt naar beneden, naar links, naar rechts, voor zich uit en weer naar beneden. Zo nu en dan laat hij zijn roep horen, heel zacht maar toch ook wel mans klinkt zijn ‘kra-kra’.
Daar is de tram. Het blauwwitte voertuig stopt met veel gerinkel. Het deert de jonge vogel niet. De tramgeluiden zijn voor hem even vertrouwd als de moederlijke hartenklop voor een embryo.
Wanneer zal het moment aanbreken dat zijn vleugels hem kunnen dragen? Vliegkunst begint vaak met gespring en gefladder op de grond. In dit geval bestaat de grond niet uit zachte grassen en beschutting biedende struiken, maar uit keien en rails waarover iedere vijf minuten een tram dendert. Was het beestje nu maar een arendsjong, dan zouden zijn altijd dicht in de buurt zijnde ouders hem opvangen zodra het mis dreigt te gaan.
Onderzoek heeft uitgewezen dat het onjuist is te veronderstellen dat dieren zich altijd op de best mogelijke locatie vestigen, ze installeren zich op een plek die lijkt op de plek waar ze zijn opgegroeid. Is dat gebeurd in een mast dan zoeken ze voor hun eigen nageslacht dus ook naar een mast. Een groot aantal IJburgse kraaien heeft de oogjes voor het eerst geopend in een nestje dat gebouwd is in één van de hoogspanningsmasten in het Diemerpark. Logisch dat zodra daar geen plek meer is wordt uitgeweken naar een bouwkraan of trammast.
Zo gaan die dingen.
De eerste vliegdag van het kraaienjong eindigt in een harde landing. Niet zijn ouders maar mijn buurtjes zijn er als eerste bij. Naar hun inschatting is het diertje gewond. Buurman belt de dierenambulance. Op advies vangt hij de gestrande uitvlieger, rijdt ermee naar de vestigingsplaats van de diervriendelijke organisatie en laat hem checken. Kerngezond en terugzetten, krijgt hij te horen.
In de trammast klimmen is geen optie, hij laat de vogel vrij op zijn dakterras.
Pa en moe kraai reageren meteen bijzonder waaks en wel zo dat buurman niet meer in de buurt mag komen. Alleen vanachter het raam kunnen de bewegingen van het jong nu nog worden gevolgd. De linkerpoot belet hem in zijn gang. Het beestje trekt hem omhoog alsof er iets tussen zijn tenen kleeft. Af en toe pikt hij met zijn snavel in het dakleer. Zijn linkervleugel zakt onnatuurlijk ver naar beneden als hij eenmaal op de dakrand zit. Nieuwsgierig tuurt hij de diepte in, naar links, naar rechts, voor zich uit en weer de diepte in. Op één poot hipt hij een eindje verder. Het ziet er allemaal ongemakkelijk uit.
Tussen de ouderkraaien en mijn zo met hun jong begane buurman komt het niet meer goed. De twee zetten meteen de aanval in zodra ze hem in het vizier krijgen. Ook als hij na een nieuwe boem die het onfortuinlijke jong niet heeft overleefd, poolshoogte komt nemen.
Voor mijn buurman is het maar beter dat het paartje snel uitwijkt naar een mast in het Diemerpark. Voor het kraaienstel en hun toekomstige nageslacht trouwens ook.
Afijn, het waren twee boeiende maanden met onze trammastkraaien, dat zeker.
Uit dit soort gebeurtenissen maak ik op dat we de natuur toch maar het beste haar gang kunnen laten gaan. Ik vind het niet leuk als ik twee kraaienjongen dood bij de tramrails zie liggen. Evenmin vind ik het leuk als ik een reiger of snoekbaars een pulletje zie grijpen. Maar de natuur is genereus. Zij schenkt haar ‘vruchten’ in overvloed. In het proces van haar natuurlijke kringloop geeft zij leven, kost zij leven en doet zij leven. Zonder enige berekening. En er komt geen einde aan. Tenminste, als de mens de natuur niet om zeep helpt.