Trammastkraaien I

Waar bouwen vogels nesten? In bomen. Onder dakpannen. Op schoorstenen. Op het water. Tussen het riet. Op rotsrichels. Op de grond. En ook in masten. Een kraaienechtpaar heeft de mast van de tramleiding als nestelplek betrokken. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat denderen er iedere vijf minuten twee trams onderdoor, eentje richting Centraal Station en eentje richting IJburg Strand. Het lijkt het broedende vrouwtje niet te deren. Uit het grauwe wolkendek plenst de regen op haar neer. Soms zou ik wel even in die mast willen klimmen, gewapend met een paraplu. Maar ach, met de gym was het al helemaal niks met mij en het touw.
De kraaienman zit op het dak van een nabijgelegen appartement en houdt alle meeuwen op afstand die wel zin hebben in een vers eitje. Af en toe lost hij haar af, zodat zij haar vleugels even kan uitslaan. Nooit blijft ze lang weg. Vijf minuten, hooguit. Zo nu en dan brengt hij haar een hapje om vervolgens weer als een heuselijke Koninklijke Wacht op en neer te trippelen op het appartementendak. Last van podiumvrees heeft hij niet.
Alweer razen twee trams vlak na elkaar onder het nest door. De spoorvoertuigen maken meer herrie dan de kraaien, die daar juist om bekend staan. Zou het tramgeluid hetzelfde vertrouwde gevoel bij hen oproepen als bij mij? In het tramgeluid zit een stuk van mijn geschiedenis. Het karakteristieke gerommel roept herinneringen op aan logeerpartijen bij mijn opa en oma. Als ik daar was moest ik altijd mee naar de kerk, waar ook een familie Mus kwam tempelen. Dat gezin kwam steevast te laat. Tot ongenoegen van de dominee. Hij zat middenin een Bijbelpassage toen de Musjes weer binnen kwamen glippen. Maar halverwege een zin kondigde de beste man ineens met krachtige stem aan: ‘Wij zingen nu met elkaar Psalm 84 vers 2: Zelfs vindt de mus een huis, o Heer.’ Nog nooit heb ik in de kerk zo gelachen. Daar denk ik geregeld aan als ik dat kraaienvrouwtje op haar nest zie zitten. Zelfs vindt de kraai een mast, o Heer.
In het Diemerpark zitten ze al jaren hoog en ook niet altijd droog in de hoogspanningsmasten. Ik heb zelfs horen vertellen over een kraaiennest in een in bedrijf zijnde bouwkraan: op werkdagen zwaaide de kraanarm met nest en al heen en weer totdat een storm korte metten maakte met het bouwsel. Dat risico zit er in dit geval niet in. Het nest zit stevig vastgeklemd tussen de paal en de bovenleidingconstructie.
Of de eitjes gaan uitkomen? Grote kans. Of de jongen gaan uitvliegen? Ik vrees het ergste als het weer blijft zoals het is. De jongen moeten tegen de wind en de regen beschermd worden zolang ze klein zijn.
Opnieuw dendert er een tram onder het kraaiennest door. Het broedse vrouwtje trotseert de regen die uit het grauwe wolkendek sijpelt, als water uit een vergiet.
Ik kom in de verleiding een reisje te boeken naar een warm zonnig land. Al is het altijd weer treurig thuiskomen zodra het vliegtuig zich tijdens de nadering hobbelend door het grijze wolkendek boort en vlak voor de landing de verlichting voerende auto’s opdoemen die lange files vormen rond de luchthaven. Soms fantaseer ik erover Nederland uit te graven en richting Middellandse Zee te slepen. Zodra ik de fantasie verkondig is er altijd een enthousiast gehoor.
Moet ik niet alsnog leren touwklimmen en dan die mast in, gewapend met een paraplu? Ik denk zomaar dat deze als slim bekend staande vogels zich rot schrikken als ze me zien aankomen. Dus laat ik de natuur zijn gangetje maar gaan. Kraaien zijn er meer dan zat en geen haan die ernaar zal kraaien als het niets met dit nestje wordt.