Stairway to Heaven

Leuk vond ik het niet.
Op straat passeerde ik al fietsend een groepje voetballende jongens. Veel ouder dan twaalf zullen ze niet zijn geweest. Ze onderbraken hun spel om mij vrij doorgang te geven. Heel aardig natuurlijk.
‘Hey, oma!’, hoorde ik ineens een van hen roepen.
Aangezien ik behalve die knullen de enige op straat was, moest dat voor mij bedoeld zijn. De schreeuwlelijk lachte luid terwijl mij het lachen verging. Razendsnel bedacht ik iets om terug te roepen.
‘Hey, baby!’, schalde mijn stem door de straat.
Balen voor dat joch maar vette pret voor mij én zijn vriendjes, die heel hard lachten.
Ik zal eerlijk bekennen dat ik wel eens eerder voor oma ben versleten. Een kleuter sloeg mij gade, zoals alleen kleuters dat kunnen doen. Eerst keek het kind vol verbazing naar mijn klapschaatsen waarmee ik klapper-de-klapper-de-klap-klap-klap van het snelle ijs af stapte, vervolgens naar het beugelbekkie dat ik toen had.
‘Gebeurt het vaker dat mama’s… eh… oma’s een beugel hebben?’, vroeg ze aan haar eigen oma die er echt uitzag als een oma, met zo’n blauw-grijs permanentje.
Ik schrok ervan, net zoals de eerste keer dat ik werd aangesproken met ‘mevrouw’.
Toen ik zelf nog kind was vond ik veertigers al oud. Echt heel oud. Stokoud. Antiek. Als kind keek ik naar veertigers met dezelfde ogen als de hedendaagse recruiter.
Volgens een oude wijsheid ben je zo oud als je je voelt. Maar er zijn van die momenten dat je geconfronteerd wordt met hoe de ander je ziet. Ik zie dat mijn jeugdhelden ook de jongsten niet meer zijn. Het leven heeft hun gezichten met rimpels getekend, grijs en dun is hun haar, of grotendeels verdwenen. Sommigen hebben broeken aan waarin mijn vader en opa’s liepen en waarvan ze zelf in de zeventiger jaren vermoedelijk nooit hadden gedacht dat ze nog eens in die burgerkledij op het concertpodium zouden staan. Bij de meesten van hen heeft de overvloedige drug- en alcoholintake plaatsgemaakt voor een streng dieet, in de hoop de man met de zeis nog even op afstand te houden en zo lang mogelijk te kunnen optreden. Mick Jagger danst en springt er nog altijd op los, maar Mark Knopfler heeft het voorbeeld van Jack Bruce gevolgd en gaat er steeds vaker bij zitten.
Paul McCartney die ooit zong: ‘When I get older losing my hair, many years from now (…) will you still need me, will you still feed me, when I’m sixty-four’ is inmiddels 73. Net zoals Rob de Nijs, die vooruitlopend op die leeftijd zong: ‘Zal je van me houden, als de wandeling te ver is en de trap opeens te hoog is voor een ouwe, ouwe vent.’ En Zjef Vanuytsel, bouwjaar 1945 en in 2015 overleden, zong als 28-jarige: ‘Zal je dan nog bij me blijven, lieve mijn, met al die rimpels om mijn wangen en dan nog, zo goed als kaal, met zo’n navel die wat door gaat hangen, als ik sloffend door de kamer ga, als ik op die ouwe dag, op de jongen die je kent nu, niet veel meer gelijk.’
Verschillende van de popsterren waarvan ik platen heb grijs gedraaid zijn niet meer onder ons, waaronder Harry Muskee (1941 – 2011), Jack Bruce (1945 – 2014), Joe Cocker (1944 – 2014), David Bowie (1947 – 2016) en Glenn Frey (1948 – 2016). ‘Het wordt druk op de Stairway to Heaven’, meldt het Algemeen Dagblad. Een foto erbij met enkele jeugdhelden op de trap die naar de eeuwigheid leidt. Keith Richards (1943) zit erop, samen met Paul McCartney (1942), Bob Dylan (1941), Tina Turner (1939), Leonard Cohen (1934), Charles Aznavour (1924) en nog enkele andere dino’s. Naast die hemeltrap staatjes waarop nog meer oude bokken prijken, waaronder Mark Knopfler (1949), Bruce Springsteen (1949), David Gilmour (1946), John Fogerty (1945), Eric Clapton (1945), Mick Jagger (1943) en het duo Paul Simon & Art Garfunkel (beiden van 1941).
Veel van hen zijn met het stijgen der jaren steeds beter gaan spelen. Ieder nadeel heb z’n voordeel, om maar eens een hedendaags filosoof te citeren (Johan Cruijff, 1947).
Dat ieder geboortekaartje eens in een rouwkaart resulteert en hoge ouderdom daarvan niet de oorzaak van hoeft te zijn, werd me als tiener al pijnlijk duidelijk. Dat ik inmiddels zelf oud genoeg ben om voor oma te worden versleten vervult me nog altijd met ongeloof. Maar het besef dat steeds meer van mijn jeugdsterren gaandeweg verleden tijd worden, zo zeer verleden tijd zelfs dat hun dood enkel nog tegenwoordige tijd is, brengt de songtekst van Huub van der Lubbe (mijn bouwjaar, 1953) wel heel dichtbij: ‘Nog dichter bij de afgrond, nog dichter op het vuur, en het wordt alleen maar erger met het uur.’
Niet leuk.
Of er nog troost is? Ja, van de kant van de thans met zijn gezondheid worstelende Youp van ’t Hek (1954) die in 1989 zong: ‘Hoelang mag ik doorgaan nog doorgaan met leven, ik heb echt geen idee en ik grijp het plezier, dus moeten we dansen en moeten we vrijen, moeten we lachen en drinken vol vuur, lief houd me vast want nu ben ik nog bij je, tijd is toch geld en het leven is duur.’
Vrij vertaald: ga vandaag nog voor alles wat je werkelijk wilt en doe je hart tegoed bij je favoriete muziek die nooit zal sterven.

Klik hier om het nummer Stairway to Heaven live te beluisteren.