Spinnenkop I

O jee! In mijn fietstas zit een spin! En niet zo’n kleintje ook!
Ik heb het nog steeds niet op die beesten, hoe nuttig ze ook zijn.
Vroeger, ja vroegah, zou ik mijn fiets in geen maanden meer hebben aangeraakt, er zelfs nog amper naar hebben durven kijken, want een spin is nooit alleen en voor je het weet kruipen er honderd van die achtpotigen in en op die fietstas rond.
Het is voer voor psychologen waar de angst voor deze dienstbare dieren vandaan komt. Van mezelf weet ik het wel. Ik zal een jaar of vier zijn geweest. Ons huis had een grote tuin. Daar viel van alles in te bekijken. Bloemen in allerlei vormen en kleuren. Blaadjes en grasjes groot en klein. Maar nog meer boeide mij de beestjes die er leefden. Dikke hommels die van bloem tot bloem vlogen. Kleine zwartgrijze mieren die met blaadjes sleepten. Fleurige vlinders die neerstreken en hun vleugels open- en dichtklapten. Blauwgroene bromvliegen die hun voorpootjes tegen elkaar aan wreven. Ik vond het allemaal erg mooi. Allesbehalve mooi vond ik het toen een spin zich in een rap tempo naar een vlieg haastte die in een web was beland en in plaats van de stakker eruit te helpen, hem helemaal inspon. Wrede dieren, die spinnen. Ik kon het niet aanzien. Wendde mijn blik af. En keek vervolgens toch weer. Nu zat de vlieg in een pakketje. Dodelijke dieren, die spinnen. Een dag later keek ik opnieuw. En zag voor het eerst van mijn leven een lijk. Een uitgezogen vliegenlijk. De spin bezorgde mij de eerste confrontatie met de dood.
Volgens ontwikkelingspsycholoog David Rakison is angst voor spinnen aangeboren. Vrouwen zouden er vier keer zo vaak bang voor zijn als mannen. Rakison verklaart het verschil in het oerinstinct. Want dat maakt vrouwen tot verzorgers die het gevaar vermijden teneinde veiligheid te bieden aan het nageslacht, en mannen tot jagers die het gevaar trotseren teneinde hun genen te kunnen doorgeven aan een zo talrijk mogelijk nageslacht.
Het zal wel.
Mensen worden zelden door spinnen gebeten. In de afgelopen honderd jaar zijn er in de wetenschappelijke wereldliteratuur slechts enkele tientallen beten met dodelijke afloop beschreven.
Spinnenmannen hebben veel meer te vrezen. Gaan zij op vrijersvoeten en hebben ze beet, dan moeten ze na de vrijage dikwijls rennen voor hun leven. Voor het vrouwtje zijn ze om op te vreten. Uiteindelijk dus toch een kwestie van een lekker ding.
Volgens allerlei gezegden kun je die beesten maar beter vermijden. Want een spin in de morgen brengt kommer en zorgen. Het is bij de wilde spinnen af. Spinnijdig zijn. Is de spin ’s avonds laat ter been, dan stort de regen spoedig naar beneên.
Ik vermeed ze angstvallig. Een ruimte waarin ik er één had gesignaleerd werd door mij niet betreden. Maar hulptroepen om de spin te vangen of te vermorzelen, waren niet altijd aanwezig. Dat was pas echt ellende. Dan moest ik er zelf met de stofzuiger achteraan. Of met een schoen. Tegen de tijd dat ik me daarmee bewapend had, had de geleedpotige doorgaans al lang een veilig onderkomen gezocht.
Maar soms was het hebbes. Voor de slotscène had ik altijd een stuk keukenrol nodig. Want stel dat de spin uit de stofzuiger zou komen. Ter afsluiting van de zuigbuis propte ik er een dot in. Als een schoen het moordwapen was geweest, dan depte ik er de geplette spinnenmoes mee.
Zo ging dat. Vele jaren achtereen. Totdat ik in een vrouwenblad een artikel las over een vrouw die compleet was ingesponnen in haar spinnenangst. Ze zat in de auto, op de snelweg. En wilde er acuut uit springen toen ze een spin in het vizier kreeg. Zo ver moet het met mij toch niet komen, dacht ik. Dus besloot ik er iets aan te doen.
Het was een goed moment. Alsof het zo moest zijn was uitgerekend het spinnen van je eigen levensdraad één van de thema’s binnen de opleiding psychotherapie die ik in die tijd van leven volgde. En ja hoor, ter introductie werd de mythe van Arachne erbij gehaald.
Arachne kon buitengewoon goed spinnen en weven. Beweerd werd dat zij zo mooi kon werken omdat de godin Pallas Athene haar hierin had onderwezen. Dat maakte Arachne boos want ze had, zoals ze zelf zei, de kunst niet aan een godheid te danken maar aan zichzelf. Ze daagde de godin uit zich aan haar te meten. Pallas Athene nam de uitdaging aan en weefde in haar tapijt voorbeelden van menselijke hoogmoed. Haar rivale zette met de beeltenissen op haar kleed de goden voor schut. Dit was meer dan de godin verdragen kon. Ze trok het werk in stukken en sloeg Arachne met een weefspoel tegen het hoofd. Door die actie voelde Arachne zich dermate gekrenkt dat de zin van haar leven haar ontging. Ze greep naar een touw om zich te verhangen. Maar daar stak Pallas Athene een stokje voor. ‘Hangen zul je, maar sterven niet’, zei ze en besprenkelde haar uitdaagster met een toverdrank. Daarop veranderde Arachne in een spin. En als spin beoefent het geslacht van Arachne tot op de dag van vandaag de kunst van het spinnen en weven.
Tot zo ver de Griekse mythologie. Wonderlijk. Maar mijn interesse was gewekt.
Opnieuw ging ik de tuin in. Het was herfst. Spinnenwebben genoeg. Voor het eerst zag ik de schoonheid van die kleverige wielen met de enorme variaties in vorm, het aantal spaken en spiraaldraden, de grootte van de mazen. Kunstige wevers, die spinnen. Als hun webben ’s ochtends vroeg met een laagje rijp zijn versierd, lijken het net gehaakte kleedjes, antimakassartjes. Nee, dat woord zal ik nooit meer vergeten sinds het Groot Dictee der Nederlandse Taal van 1997.
Terug naar de spinnen. Ik ben veel groter. Dat realiseerde ik me ineens. Ik ben niet alleen vele malen groter dan de kruisspinnen in de tuin, ook toren ik hoog uit boven die harige knoeperds die zomaar ineens heel hard door het huis kunnen rennen. Ach gut, dacht ik, ik kan veel harder rennen. Muizen trouwens ook. Als je die in je huis hebt, heb je pas echt een probleem. Maar ook in dat geval is angst irrationeel. Pas als een leeuw je woning komt binnen banjeren, of een beer, is sidderen gerechtvaardigd.
Maar toch.
Nog altijd stond het me tegen samen met een spin in dezelfde ruimte te vertoeven. Alleen vond ik het ineens absurd dat die spin daarom dood moest. Als ik de eerste die zich in mijn gezelschap waagde, eens zou vangen door er snel een glas overheen te zetten en een ansichtkaart onder te schuiven? Dan zou ik hem zo naar buiten kunnen kieperen. Zonder hem aan te raken! Dat zou nog eens mooi zijn. Ik zette de benodigde attributen maar vast klaar. Op de vensterbank.
De komst van een geleedpotige liet niet al te lang op zich wachten. Niet zo verwonderlijk, want spinnen zijn overal. Zelfs in een goed schoongemaakt huis wonen er gemiddeld 1500.
Ik greep mijn kans. En dus ook naar het glas en de ansichtkaart.
Daar had ik hem. Gevangen. Op mijn armen voelde ik kippenvel, op mijn gezicht een lach. Snel draaide ik het glas om, de ansichtkaart lag er nu bovenop in plaats van eronder. De spin belandde op de bodem van het glas. Ik opende de deur, haalde de kaart van het glas en zwiepte het beestje eruit. Als hij nu maar niet snel een draad spint, dacht ik. Want dan was ik er nog niet vanaf. Maar hij rende weg en voor zover ik weet heb ik hem nooit weergezien.
Zo gaat het er bij mij sinds een kwart eeuw aan toe met het spinvolk. Maar nu zit er dus eentje in mijn fietstas. En zelfs als de uitkomst biedende attributen mij nu ter beschikking zouden staan, zou ik er niet mee zijn geholpen. Ik maak eerst het kettingslot maar eens los. Hengel er vervolgens mee in de tas. Vrolijk kruipt de spin omhoog. Nee jongen, liever niet te veel mijn kant op. Met het uiteinde van het slot geef ik de spin een zetje, zoals een kat een muis. De spin valt naar beneden. Ik doe een nieuwe poging. Nu kruipt het dier op de nylon hoes rond de schakels. Voorzichtig trek ik de ketting met de grote spin erop omhoog, als een visser een hengel met een knots van een karper. Ho, ho, nu zet hij er de vaart in, mijn kant op. Snel laat ik het kettingslot op de grond vallen. Haastig zoekt de spin een veilig heenkomen. Dat was toch een mooi staaltje van samenwerken.
Spijtig voor de vliegen. Die heb ik nu benadeeld. Maar daar heb ik toch geen moeite mee. Omdat leven niet alleen leven doet maar ook leven kost. En dat niet alleen. Inmiddels weet ik dat vliegen ziekteverspreiders zijn. Als ik ze nu heel schattig hun pootjes tegen elkaar aan zie wrijven, denk ik onwillekeurig aan ongure lieden met naargeestige plannen in petto.