Song for the Devil

Ofschoon ik in mijn tienertijd iedere elpee van de Beatles kocht en ik nu nog altijd niet alle elpees van de Rolling Stones in mijn verzameling heb, ben ik uiteindelijk toch een veel grotere Stones-fan geworden. Dat heeft alles te maken met de ontwikkeling van beide groepen.
Toen de Rolling Stones in 1965 hun eerste nummer-1-hit scoorden hadden de Beatles er al tien op hun naam staan. De ‘Fab Four’ ontwikkelden zich gewoon sneller dan de Stones. In tien jaar toverden ze hun hele repertoire bij elkaar en daarna hadden deze eigenzinnige pioniers het wel gehad met hun samenwerking. Terwijl de groep uit elkaar viel kwamen de Stones steeds beter op dreef. Hun album Sticky Fingers was het eerste album dat ik grijs heb gedraaid en nog steeds heel prettig vind om naar te luisteren. Toen de plaat voor het eerst in de schappen stond trok het meteen de aandacht van de vriendin met wie ik tijdens de Franse les het nummer Back Home ten gehore had gebracht. Ze kon de verleiding niet weerstaan heel snel aan de rits in de spijkerbroek op de hoes te trekken, maar het effect was geheel anders dan dat zij verwachtte: er gebeurde niets.
Het eerste Stones-optreden zag ik op 27 mei 1990 in Frankfurt in het Waldstadion. Zowel nieuwe nummers als goud van oud passeerde de revue, waarbij dat goud van oud veel meer waardering bij mij oogstte dan in de zestiger en zeventiger jaren. Even onvergetelijk als het concert was de busrit naar Venlo, waar mijn auto stond. Na een knallende afsluiter met Jumpin’ Jack Flash en vuurwerk, liep ik samen met de vriendin met wie ik naar het concert was gegaan, richting bus. Tot onze verbazing zagen we mensen die we tijdens de heenrit bij ons in de bus hadden gezien, pogingen ondernemen om in andere bussen te komen. Vergeefs, dat wel. Eenmaal bij onze bus werd het waarom van hun actie heel snel duidelijk: de bus was stuk. De chauffeur verzekerde me dat zijn collega zou wachten en de bokkige bus zou aanslepen. Dat werd wachten, erg lang wachten. We waren zeker twee uur verder eer de honderden auto’s en bussen het gigantische parkeerterrein hadden verlaten. En toen stonden we daar zielsalleen, onder het licht van een lantaarn.
‘Fijne collega heb jij’, zei ik. ‘En wat ga je nu doen?’
‘De Duitse wegenwacht bellen’, was het antwoord.
Dat was sneller gezegd dan gedaan, want in die tijd waren er nog geen mobieltjes. Zo verdween de chauffeur samen met de juffrouw bij wie we tijdens de heenrit natjes en droogjes hadden kunnen kopen, in het holst van de nacht. Wachten is nooit een geliefde bezigheid en al helemaal niet als je geen idee hebt waar je aan toe bent. De sfeer werd melig. Opgesomd werd wat er nog allemaal heel was aan die bus. De ruitenwissers. Het stuur. De stoelen. De ruiten. Vandaag de dag zou dat een uitnodiging zijn om de boel te gaan slopen, maar alle Stones-gangers hielden zich koest.
‘Waar zijn die chauffeur en dat grietje gebleven?’, vroeg een inzittende zich af toen hun afwezigheid toch wel heel erg lang ging duren.
‘Die doen het samen onder de bus’, opperde een meelbiet.
‘Nee joh, die zoeken hun fietssleuteltje’, kwam er een volgende reactie.
Een ander koppel hield het voor gezien: ‘We gaan kijken of er een trein rijdt.’ Niemand voelde zich geroepen om mee te gaan kijken, maar het stel waagde het erop en is door ons niet meer teruggezien.
Het liep tegen drieën toen er een Renaultje 4 opdoemde van de ADAC, je weet wel, zo’n blikje onderdelen dat reuze praktisch maar ook enigszins spartaans was in gebruik. Behalve een monteur stapten ook onze chauffeur en de koffiejuffrouw uit. Een minuut of wat later wist de monteur raad met de situatie: hier moest zwaarder geschut aan te pas komen. Na een collega te hebben ingeseind verdween de goede man weer van het toneel. Opnieuw wachten. Monteur nummer twee kwam na een kwartier of wat aanzetten in een grote Mercedes-bus. Terwijl hij aan het sleutelen sloeg, sloeg binnen in de bus de slaap toe, ook bij ons. Het was ruim over vieren toen ik wakker schrok van de aanslaande motor.
‘Hoera! Hij doet het!’, werd er gejuicht.
‘Gelukkig dat we allebei geen thuisfront hebben dat op ons wacht’, zei ik tegen mijn vriendin. ‘Wat zouden ze ongerust zijn geweest!’
‘Gelukkig hoeven we morgen ook niet te werken na deze doorwrochte nacht’, merkte de vriendin geeuwend op.
‘Het is nog maar de vraag of we erin zouden slagen om op tijd te komen,’ antwoordde ik. ‘Je zou het haast vergeten, maar wat waren ze goed hè, de Stones?’
Goed genoeg om ze op 18 augustus 2003 in de Amsterdamse Arena weer te gaan zien. Hier weliswaar niet de akoestiek die je zou wensen, maar met concertkrakers als Start me up, Brown Sugar, Sympathy for the Devil en Satisfaction maakten de Stones zelfs hier hun optreden tot een van hun beste concerten ooit. Jong geleerd is oud gedaan en hoe!
Vandaag ga ik voor het nummer waarin Mick Jagger en Keith Richards de duivel laten uitleggen hoe hij duizenden jaren lang getuige was van het geweld dat de mensheid tegen zichzelf heeft gebruikt, vaak in naam van de religie. Helaas is het thema nog altijd actueel.

Klik hier om de opname, gemaakt op 12 december 1997 in St. Louis bij een optreden in het Trans World Dome, te zien en te beluisteren. Let vooral ook op het gewaad van Mick Jagger dat Mathilde Willink zeker niet zou hebben misstaan en waarin hij op 6:34 zelfs danst als die Zeeuwse Muze van weleer.