Slabberdewatski-woorden en tijdgeest

Hoera! Kees van Kooten schrijft dit jaar het Groot Dictee der Nederlandse Taal en focust daarbij niet alleen op foutieve spelling maar ook op onjuist taalgebruik. Op kromspraak dus zoals in de eerstvolgende zin: ‘Echter in het boek wat ik las over een stelletje klasgenoten, beseften hun zich dat het hele vlot geklede meisje die ouder was als alle andere meiden van de klas, het het meest erg vond dat zij als enigste nog nooit geen verkering had gehad.’ Tel de fouten!
De verloedering van het Nederlands wordt vaak geassocieerd met het in de laatste decennia sterk toegenomen aantal allochtonen. Ook internet, sms en email worden in dit verband dikwijls genoemd. Maar hoe zit het met het aandeel van de Nederlandse Taalunie? Het is toch deze club die een hele hoop slabberdewatski-woorden aan onze taal heeft toegevoegd met de introductie van de tussen-n?
Neem nou die pannekoek die op 1 augustus 1996 ineens een pannenkoek werd. Als het aan mij ligt slinger ik hem zo de pan(nen?) uit. Met een pannenspons maak je doorgaans meerdere pannen schoon, maar zo’n koek wordt in één pan gebakken en ik kan me niet voorstellen dat er iemand is die de koek tijdens het bakken in een andere pan laat glijden.
Grote schrijvers als Harry Mulisch en Jan Wolkers lustten de pannenkoek overigens ook niet. Bij Mulisch ging het misbaksel er vooral niet in omdat met de introductie van de tussen-n een uitzondering werd gemaakt op wat gebruikelijk is binnen de Germaanse taal: in het Engels heet het gerecht pancake (geen panscake), in het Duits Pfannkuchen (geen Pfannenkuchen) en in het Fries pankoek.
Uit protest ontstond de witte spelling, voorgestaan door een groot aantal Nederlandse media, waaronder de Volkskrant, NRC en Trouw. In Vlaanderen kreeg deze spelling nooit voet aan de grond. De spelling volgens het Groene Boekje won helaas steeds meer terrein en zo zie je dat de tussen-n onder meer in deze kranten toch overal opduikt.
Waarom ik die pannenkoek nu al bijna zeven jaar lang niet verteerd krijg? Omdat die spellingvernieuwers mij met hun mallotige tussen-n ertoe dwingen om al schrijvend afstand te doen van mijn eigen wezen. Ik mag niet meer schrijven over mijn harteklop, mijn hartepijn, nee, ik moet schrijven over mijn hartenklop, mijn hartenpijn. Alsof ik twee harten zou hebben!
Zelfs het mooiste klinkerwoord ooit is erdoor verdwenen: koeieuier.
En dat allemaal onder het motto van vereenvoudiging van die o zo moeilijke Nederlandse taal. Wel, die tussen-n spreekt geen mens uit, dus ik zou zo zeggen: schrappen die handel. Nu moet je nadenken over allerlei uitzonderingen. Zoals tarwemeel omdat het zelfstandige naamwoord tarwe weliswaar op een e eindigt maar geen meervoud heeft. Of aangifteformulier omdat het meervoud van aangifte zowel aangiften als aangiftes kan zijn. Of zonneschijn omdat er maar één zon is. Zo zijn er nog veel meer. Nee, bepaald simpel is het niet.
Toch was het dat ook niet vòòr 1996, toen een perenboom nog een pereboom was, al hingen er grote hoeveelheden peren in. Die e heeft nooit een meervoud aangegeven maar is erin gekomen om de uitspraak te vergemakkelijken. Een peerboom klinkt gewoon niet. In tegenstelling tot een appelboom. Een appeleboom is weer geen welluidende optie. Net zomin als tandenarts of heerhuis. Leg het iemand die de Nederlandse taal niet eigen is maar eens uit.
Hoe dan ook, met vergemakkelijking van de taal heeft die tussen-n welbeschouwd niets te maken. Nee, het is een kwestie van tijdsgeest. Vroeger, in de tijd waarin mijn grootouders opgroeiden, hadden de mensen nog tijd. De spelling van toen wijst dat ook uit: uuren waaren ze beezig met het braaden en stooven van vleesch. Nu wordt de hap snel in de magnetron gekieperd.
De afgelopen jaren is de vervreemding toegeslagen. De hedendaagse spelling maakt de wezensvreemdheid duidelijk met woorden als paardenstaart, zielenreis, ruggengraat.
Van mij mag Kees van Kooten ook die lelijke tussen-n, ooit betiteld als linguïstisch equivalent van het koeienoormerk, in de door hem te schrijven tekst voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal op de korrel nemen. Heel stilletjes zit ik me al te verheugen op een zin als: ‘Het meisje met de paardenstaart vond het een beregoed idee om de groenteman eerst te trakteren op erwtensoep met paddenstoelen en aspergepunten, daarna op abrikozenijs met chocoladesaus op een bedje van rijstepap met bessensap en vervolgens op kruidenthee; hij was weliswaar een flierefluiter maar zijn vrouw een spinnenkop die met een warm berenvel om ellenlange uren ideeëloos en knikkebollend achter haar spinnewiel zat.’
Nee, Van Kooten maakt er geheid veel meer van. Ik kan haast niet wachten tot het 18 december is.