Saturday Night

Ergens op het internet circuleert het bericht dat als er een hardrock festival in het Diemerpark komt, ik vooraan sta te headbangen. Dat is ietwat overdreven, maar lekker swingen bij scheurende gitaren en stevig drumwerk, daar ben ik absoluut voor in.
De eerste keer dat ik dit heb gedaan was op straat, samen met een vriendin, op het nummer Baby come back van de Equals. We oogden als zestienjarigen maar waren vijftien en kwamen er daarom niet in bij het Eindhovense Zoldertje, waar in de jaren 60-70 in de weekends zo nu en dan bandjes optraden.
Welkom waren we wel bij de Eindhovense dansschool Gerard Need. Daar leerden we de Engelse wals, foxtrot, cha cha, samba en salsa. Ik kan er allemaal niks meer van, met uitzondering dan van de foxtrot. Ellende was dat je altijd moest wachten tot je gevraagd werd en omdat ik eerder een stoere meid was dan meisjesachtig, zat ik toch vaak aan de kant. Zo nu en dan kwam er bij Need een band spelen. Zo ook de Chums, een Tilburgse groep die in 1967 zelfs een singel heeft uitgebracht met de nummers The Sweetest Girl en She’ll marry me. Met de basgitarist kreeg ik oogcontact. In de pauze kwam hij naar me toe en er ontstond een leuk gesprek dat in een correspondentie resulteerde. Groot was de afknapper toen hij ineens hele verhalen begon op te hangen over Jehova.
Eens per jaar waren er schoolfeesten. Ook dat ging gepaard met livemuziek, waarop hevig werd geswingd en bij langzame nummers geschuifeld of, zoals dat ook werd genoemd, gezwommen. Dat laatste kon de goedkeuring van de godsbrave rector onder geen beding wegdragen. Met zijn arm recht naar voren en gekantelde vlakke hand kwam hij de tortelduifjes uiteen drijven.
Kort na mijn switch naar een andere school, waar de sfeer veel aangenamer was, werd ik lid van een vriendengroepje. Vier knullen en ik vormden de vaste kern, daaromheen zwermden van allerlei mensen. Op vrijdagavond was het vaste prik om met elkaar naar muziek te luisteren, thuis bij de leider van het groepje. Vooral de lange uitvoeringen van Get ready (Rare Earth) en In-A-Gadda-Da-Vida (Iron Butterfly) waren geliefd. Voor mij de opmaten waaruit mijn latere interesse voor de ruigere muziekgenres zich ontwikkelde. Ik kocht Black Sabbath, Alice Cooper, Iron Maiden, Deep Purple, Led Zeppelin en Uriah Heep, later uiteraard gevolgd door werk van Metallica en Kiss.
Als ik in huis de boel aan het schoonmaken ben draai ik dit stevige werk graag. Iets minder heftig mag ook. Guns N’Roses bijvoorbeeld. Het had niet veel gescheeld of ik zou hun geweldige nummer Sweet child o mine hebben genomineerd als nummer voor deze dag. Het gitaarwerk vind ik supergoed. Maar toch ga ik voor Saturday Night van Herman Brood. In twee van mijn vroegere woonplaatsen heb ik hem zien optreden, dat wil zeggen diverse keren in Eindhoven en een enkele keer in Alkmaar. Bovendien ben ik niet alleen fan van zijn muziek maar ook van zijn doeken, litho’s en zeefdrukken. Aanvankelijk werd dit werk niet museaal erkend, maar na zijn zelfgekozen dood op 11 juni 2001, wijdde het Amstelveense Cobra Museum er in de nazomer van 2002 toch een expositie aan. Als luchtvaartfan was ik natuurlijk superblij toen ik in een galerie een litho van hem aantrof met daarop een Boeing 747 van Martinair. Daar kijk ik al weer zo’n jaar of tien met veel plezier naar.
Saturday Night dus om voor enkele minuten helemaal uit je bolleboos te gaan op welk moment dan ook.

Klik hier.