4 mei 2010

Oerschreeuw

Steeds meer mensen verzamelen zich bij de Dam. De rustige sfeer verandert in een stilte als de herdenkingsceremonie begint. Op het grote scherm zie ik beelden van Beatrix, Willem Alexander en Máxima. Samen met haar zoon legt onze koningin de eerste krans bij het Nationaal Monument. Het trompetsignaal ‘Taptoe’ klinkt, de klok van de Nieuwe Kerk slaat acht uur. Het wordt stil. Heel stil. Zo stil heb ik het nog nooit gehoord in Amsterdam. Het enige geluid dat ik hoor is het klapperen van de vleugels van een duif.

Ik sta stil bij mijn grootouders die ook in Amsterdam woonden. Bij hun inmiddels verstilde verhalen over de razzia’s. Hun angst dat hun twee Joodse onderduikers ontdekt zouden worden. Ik sta stil bij mijn schoonvader die ik nooit gekend heb omdat hij Vught niet overleefde. Ook sta ik stil bij de vrede die nooit wereldwijd is geworden. Al die slachtoffers die de junta heeft gemaakt in Argentinië. Daar sta ik dit keer heel speciaal bij stil. Ik vraag me af of Jorge Zorreguieta nu naar de beelden van zijn dochter kijkt op tv. Ik denk aan Julio Poch. Het is alweer weken stil rond hem in de media. Ik denk aan mensen die zonder of met proces onschuldig veroordeeld zijn. Aan Lucia de Berk, eindelijk toch vrij.

Dan ineens een schreeuw. Een oerschreeuw. Waar geen eind aan lijkt te komen. Op het moment dat de schreeuw verstilt, keert de stilte terug. Voor een seconde. Gegil. Knallen. Die ik niet kan plaatsen. Ik zie een golf van mensen op me afkomen. Nog veel meer gegil. Beelden van Apeldoorn flitsen door mijn hoofd. Ik was er niet bij toen maar nu is het ineens heel dichtbij. Een grote man duwt me in zijn vluchtpoging nog net niet tegen de vlakte. Beelden van het Heizeldrama flitsen door mijn hoofd. Daar was ik ook niet bij maar het wordt ineens levensecht. Terwijl ik me omhoog werk valt er een vrouw half over me heen. Raakt met haar hand mijn bril. Die ik gelukkig niet kwijtraak want waar ben ik met mijn wazige blik zonder mijn glazige blik? Opnieuw weet ik overeind te krabbelen. Links van mij vallende dranghekken. Een toilettasje vliegt door de lucht. Lichtgroen. Hard word ik op mijn linkervoet getrapt. Ik wil weg. Móet weg. Ik ben nog niet van start gegaan als ik een man in uniform de mensenmassa hoor sommeren om op te houden met rennen. Iedereen luistert. Staat stil. Ineens is er ruimte om me heen. Direct voor me zit een vrouw op de grond. Die in een shock verkeert. Ze kan nauwelijks praten. Ik aai haar zacht op de rug. Een andere vrouw houdt haar hand vast. Ze herstelt zich. Kinderen huilen. De vraag gonst wat er aan de hand is. ‘Er is iemand onwel geworden,’ wordt het publiek gesust.

Mijn bril is ontwricht. Mijn kousen zijn stuk. Naast mij nu twee knullen. Hebben het toilettasje dat ik eerder door de lucht zag buitelen gevonden. Voelen zich er zichtbaar verlegen mee. Er zitten geen gegevens in van de eigenares. Wel heel veel opmaakspullen. Goed voor een papegaai.

Geapplaudisseer weerklinkt. De in allerijl afgevoerde leden van het koningshuis zijn terug. Het Wilhelmus wordt gespeeld. Dan heeft Jan Peter Balkenende het woord. Al wat hij zegt gaat voor mij – en niet alleen voor mij – verloren in de discussies die overal worden gevoerd. Over de paniek, de angst. De vraag centraal hoeveel angst er is in ons land van vrede. Op de top van het Nationaal Monument zit een duif. Geen idee of het een vredesduif is. Hij blijft de wacht houden terwijl er steeds meer kransen worden bijgelegd. Opnieuw muziek. Ik herken de melodie, herinner me de eerste regels uit de kerk van mijn jeugd: ‘Een mens te zijn op aarde, in deze wereldtijd’. En denk aan de woorden die ik in mijn tienertijd dichtte: ‘Vredesduif. Gespreid de witte vleugels – tegen het felle avondrood – vloog hij –  met betraande ogen –  weg van het bloed – dat men vergoot’. Als ik op mijn fiets stap, zijn het mijn ogen die betraand zijn.

Lieneke Koornstra