Nu niet

Verslaafd was ik. Eigenlijk ben ik het nog. Ik ben gewoon een roker die niet rookt. Al 25 jaar raak ik geen sigaret meer aan. Dat houd ik vol door op de inmiddels spaarzame momenten dat ik toch verschrikkelijk veel zin heb in een sigaret, tegen mezelf te zeggen dat ik NU niet rook. NU is te overzien. Enige minuten later is mijn trek al weer verleden tijd. Zonder in rook te zijn opgegaan.
Nee, ik ben niet in één keer gestopt. Heb het wel eens geprobeerd. Ik leek wel een hond die een stuk worst rook zodra ik maar enige lucht kreeg van sigarettenrook. Mijn humeur was dusdanig dat je maar beter enkele kilometers afstand kon houden.
Geen succes dus.
Voor mij niet en ook niet mijn dierbaren.
Dus greep ik maar weer naar mijn pakje sigaretten zonder filter. Of naar mijn shagbuil. Of mijn pijpje. Ik rookte alles, behalve sigaren. Dus ook wel eens een joint. Alleen al het bouwen ervan betekende voor mij een feest.
Roken vond ik gezellig. En lekker. Vooral direct na het avondeten. Dat was beslist de aller, aller, aller-lekkerste sigaret van de 35 die ik per dag verstookte.
Het idee te moeten zeggen ‘Nee, ik rook niet’ kwam me zeikerig over. Dat anderen last hadden van mijn rookgedrag kon ik me niet voorstellen. Als er geen asbak was tikte ik de as gewoon in mijn hand. Ik was echt heel vreselijk.
Roken moest mogen.
Toch wilde ik er vanaf.
Ik baalde er steeds meer van dat alles vergeelde door dat gepaf. De muren en het plafond thuis. Het dak aan de binnenkant van de auto. Boeken. En dan de afknapper om halverwege de duinopgang naar het strand, verplicht van het landschap te moeten genieten omdat ik buiten adem was. Een foto van geasfalteerde longen was ook geen opsteker. Maar bovenal greep het me aan als ik beroepsmatig geconfronteerd werd met een longpatiënt die het stervensbenauwd had.
Mijn man, eveneens een adembenemende kettingroker, stelde voor samen naar een acupuncturist te gaan.
‘Doe jij dat, dan rook ik de twee pakjes die hier nog liggen op en is het voor mij ook over en uit’, opperde ik terwijl ik hem en mezelf een vuurtje gaf. Ik wist ineens wat me te doen stond. ‘Met ingang van morgen rook ik geen enkele sigaret meer helemaal op. Na twee of drie trekken is het uit met dat ding. Dan is mijn eerste trek bevredigd. Heb ik later weer zin, dan steek ik die uitgemaakte stinkerd weer op.’
‘Daar wordt hij niet lekkerder van’, zei manlief.
‘Dat is precies mijn bedoeling. Dan rook ik niet alleen minder, ik geniet er ook meteen minder van.’
In mijn hart zag ik verschrikkelijk op tegen het moment dat ik door mijn twee pakjes heen zou zijn. Reden te meer zeer matig te zijn in het gebruik.
Ik slaagde in mijn voornemen een sigaret in gedeeltes op te roken. Hoe vaker hij gedoofd was, hoe onaantrekkelijker hij uitpakte.
Twee weken later was ik nog een half pakje stinkstokken rijk. Terwijl ik de keuken een goede beurt gaf – bovenkant van de kastjes en zo – had ik zin in een kop thee met, o heerlijk, een sigaret.
Ik klopte een vers exemplaar uit het pakje. Stak de vlam erin. Trok en inhaleerde als altijd. Trots op het kringetje dat ik nog steeds kon blazen. Nog een trekje. Gevolgd door een diepe inhalatie.
Tot mijn stomme verbazing werd ik duizelig. Net zoals ooit bij mijn eerste sigaret. Omdat ik toen bij het rookvolk wilde horen dacht ik in die tijd van leven: doorzetten. Roken was toen stoer, hip, gezellig.
Nu dacht ik: uitmaken. Want dit was HET moment om definitief een punt te zetten achter en een streep onder mijn rookcarrière.
Het resterende halve pakje ging naar een vriendin. Mijn conditie werd met de dag beter.
Op adem moeten komen halverwege een duinopgang? Verleden tijd! De Afsluitdijk in een uurtje skeeleren? Tegenwoordige tijd!
Ik heb echt nooit kunnen geloven dat niet-rokers het meteen ruiken als iemand een roker is. Nu vind ik mijn eigen kleren stinken als ik in een rokerige ruimte heb gezeten. Alles ruik en proef ik veel beter. Als iemand een stille scheet laat zeker geen voordeel. Evenmin als iemand uit zijn mond meurt of zweetvoeten heeft. Maar doorgaans ervaar ik het als winst.
Nee, ik ben niet meer gaan snoepen. Omdat ik geleidelijk met roken ben gestopt.
Is er ook nog dat antirookbeleid. Nergens ben je nog welkom met je peuk. Nou ja, bij de rookpaal op een tochtig station. Ik haal opgelucht adem dat ik daar niet voor paal hoef te staan. En vind het allang best dat er in de auto die ik tegenwoordig rijd zelfs geen asbak zit.
Rest al het uitgespaarde geld. Manlief en ik zijn er samen van naar Egypte geweest. Indonesië zou de volgende bestemming zijn. Helaas overleed hij aan de ziekte waarvoor op de peukenpakjes tegenwoordig wordt gewaarschuwd. Heimelijk woekerde de sluipmoordenaar die (long)kanker heet al jaren in zijn lichaam voort zonder zelfs tijdens vliegkeuringen (aan de hand van de röntgenthorax) te worden ontdekt. Nee, in onze vriendenkring rookt niemand meer.
Of zijn dood dan toch niet de werkelijke reden is van mijn eigen motivatie? Nee. Mijn besluit om NU niet te roken was al veel eerder genomen. Het succes van die benaderingswijze was voor mij al lang bewezen.
Als ik aan mijn man denk, denk ik vooral aan de mooie momenten die we deelden. Niet aan de kanker die hem afbrak. Noch aan de sigaretten die hun bijdrage hebben geleverd aan dat proces.