Noodkreet

Herken je dit? Je loopt de trap op en eenmaal boven weet je niet meer waarvoor je die actie ondernam. Gewoon vergeten. Ben je nog jong dan is het excuus dat je het zo druk hebt, ben je de vijftig gepasseerd dan steekt de vrees voor dementie de kop op. Tenzij je door de jaren heen zoveel alcohol je lijf in hebt gepompt dat er sprake is van korsakov. Heb je veel gestudeerd dan geldt professorale verstrooidheid natuurlijk als excuus. Als een ingewikkeld begrip mij niet te binnen wil schieten zeg ik altijd dat ik niet zo van de begrippenkaders ben.
Hoe ik daarop kom?
Omdat ik ooit geleerd heb dat mensen verschillende leerstijlen hebben. De één leert vooral aan de hand van praktische ervaring, de ander gaat bovenal associatief te werk, de volgende slaat meteen aan het analyseren en weer een ander blinkt uit in het hanteren van moeilijke formules en het onthouden van hele lappen tekst. Ik had de leerstijlentekst niet hoeven te maken om te weten dat ik er vooral één ben van het associëren en analyseren. Voor mij geen grotere straf dan dingen uit mijn hoofd moeten leren. Neuh, ik ben niet zo van de begrippenkaders. Al had niet iedere docent daar toen ik nog leerplichtig was evenveel waardering voor. In die tijd was de volgende rijmelarij populair: ‘Hoe meer je leert, hoe meer je weet. Hoe meer je weet, hoe meer je vergeet. Hoe meer je vergeet, hoe minder je weet. Dus waarom leren wij eigenlijk?’
Eén van mijn beste vrienden is intussen zoveel vergeten dat er geen zinnig gesprek meer met hem te voeren valt. Een gesprek met hem verloopt als volgt:
‘Hoe gaat het in Eindhoven?’
In de tijd dat hij en ik elkaar leerden kennen woonde ik in die stad, ruim twintig jaar geleden. In plaats van hem daaraan te herinneren zeg ik: ‘Ik denk dat het wel goed gaat in Eindhoven. Ik woon nu in Amsterdam.’
Hij vol verbazing: ‘Woon jij in Amsterdam? Daar weet ik niets van.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Ach, die Lieneke, die woont in Amsterdam. Hoe ben jij hier eigenlijk gekomen?’
‘Met de auto.’
Alhoewel hij mij heeft zien aankomen, reageert hij verwonderd: ‘Ben jij hier met de auto? Ben jij hier met de auto? Nou, daar heb ik dan niets van gezien.’
En zo gaat het maar door. Ruim vijftien jaar woonde ik in Alkmaar. Daar heeft hij mij dikwijls opgezocht. Naar zijn zeggen nu is hij daar nog nooit geweest.
Natuurlijk komt eens het moment waarop hij ook mij niet meer herkent.
Als zestienjarige deed ik ooit vakantiewerk als keukenzuster in een Amsterdams verpleeghuis. Eén van de patiënten daar zei enkel nog: ‘Dat huis. Dat huis. Ga je naar links. Ga je naar rechts. Dat huis. Dat huis.’ Aan één stuk door herhaalde ze deze woorden. Haar bovenlichaam bewoog daarbij van voor naar achter, van achter naar voor, en zo door.
Ze werd de heks genoemd en zo zag ze er ook uit.
Ik kreeg de taak haar te helpen met eten. Dat vond ik wel eng.
Op mijn begroeting reageerde ze niet. Terwijl ik naast haar plaatsnam bleef ze verzonken in haar wereld met dat huis en de vraag waarheen. Haar mond opende zich niet toen ik een lepel met eten in die richting voerde. ‘Heeft u geen trek?’, vroeg ik.
‘Dat huis. Dat huis’, was het enige dat ze uitbracht.
‘U moet wel eten, hoor’, zei ik.
Ach, hoe dikwijls zal dat niet tegen haar zijn gezegd.
Ik durfde het niet op te geven. Want de hoofdzuster was ronduit een kreng.
Teneinde raad zei ik: ‘Hier komt het vliegtuig.’
Ik vond het heel gênant, maar tot mijn verbazing opende ze haar mond. Stoomboot, brandweerauto en wederom een vliegtuig volgden en gingen erin als koek. Steeds verzonk ze weer in haar wereld.
‘Ja, in dat huis woont een gezin met twee kinderen’, besloot ik. Ik verzon van alles: ‘Er is ook een poes. En een hond. En een piano. Ja, ik ga mee naar links. En dan gaan we daarna naar rechts. Hier komt het vliegtuig weer.’
Haar bord ging leeg. Dat was in geen tijden gebeurd.
In één van de ziekenhuizen waar ik later werkte stond in één van de afdelingshallen een man met zijn handen op de rug te fluiten. Als een vogel. Floot hij niet dan zwierf hij door de gangen. Op zoek naar zijn brommer. Overal opende hij deuren en overal vroeg hij of zijn brommer misschien daar was.
Terug naar huis kon de man onmogelijk. Na drie maanden kon hij uiteindelijk terecht in een verpleeghuis.
Het nieuwe beleid is dat mensen met dementie zo lang mogelijk thuis blijven wonen. De angst dat zij een gevaar zouden vormen voor zichzelf en de samenleving , voerde vroeger de boventoon bij de zorgindicatie. Nu is het het kostenplaatje dat de doorslag geeft.
Met het verplanten van oude of kwetsbare bomen kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Maar soms is er echt geen goede voedingsbodem meer.
Ik was er getuige van dat mijn dementerende vriend, voorheen altijd de gemoedelijkheid zelve, agressief werd omdat zijn vrouw protesteerde toen hij zichzelf binnen een half uur tijd een vierde glas wijn inschonk. Hij was ervan overtuigd dat het zijn tweede was.
Toen hij een moment naar de toilet was klonk haar noodkreet: ‘Ik word er compleet gek van. Er is geen zinnig woord meer met hem te communiceren en hij is zo wantrouwig als de pest.’
Zij kan de deur niet zoals ik na zoveel uur achter zich dichttrekken. Dag en nacht gaat het door. Zijn aftakeling, haar confrontatie ermee. Het gedoe met zijn medicijnen. Zijn incontinentie.
Als ik het hier voor het zeggen had zouden alle Kamerleden eens een week de rol van mantelzorger voor een dementerende moeten overnemen. Niet alleen overdag, ook ‘s nachts. En dan mogen ze nog in hun handen knijpen omdat het er voor hen met een week op zit.