Mijn TomPuch

Ik hoefde hem niet stuk te gooien. Onder de bolle buik bevond zich als een soort navel een rubber dop die al kapot was op het moment dat ik hem uitpakte. Het vrolijke spaarvarken met zijn rode oren en vrolijk gekleurde bloemen op zijn lijf had ik gekocht tijdens een logeerpartij in een plaats waar ik niet woonde. Drie uur in de trein zitten voor een ander exemplaar was me te veel moeite. Toen ik mijn zinnen eenmaal op een brommer had gezet besloot ik er elke gulden in te gooien die ik in handen kreeg. In situaties waarin ik veel guldens terugkreeg als wisselgeld was dat moeilijker dan gedacht. Maar je moet iets over hebben voor het goede doel.
Ik droomde ervan om op een Puch MV50 te rijden en dan niet als meisje achterop maar als meisje achter het stuur. Natuurlijk was ik er ook voor in om achterop zo’n brommer te zitten met mijn armen stevig om het middel van een leuke knul. Maar voor al die momenten dat ik op eigen vervoer was aangewezen wilde ik er zelf een. Meisjesbrommers vormden in mijn ogen geen uitzondering op de vele meisjesdingen die ik truttig vond.
De prijs van het door mij begeerde object lag rond de zevenhonderd gulden. Zo veel guldens pasten er niet eens in mijn spaarvarken. De helft wel. Daarvoor had je een goede tweedehands.
Toen de broer van een vriendin vertelde dat hij van zijn Tomos 3L af wilde voor driehonderd gulden, ging mijn hart prompt sneller kloppen. Het was dan wel geen Puch, maar de gelijkenis was groot en het frame zou zelfs sterker zijn.
Eenmaal thuis peuterde ik de rubberdop van mijn spaarvarken los om hem leeg te schudden. Ik miste nog enkele tientjes. Mijn ouders sprongen bij. Probleem was dat ik nog geen zestien was. Mijn broer ging mee voor een proefrit. Op een afgelegen weggetje reed ik natuurlijk toch een aantal kilometers.
Met mijn aanwinst in de schuur begon het aftellen naar mijn eerstvolgende verjaardag. Voordat ik mijn bed opzocht haalde ik een streep door de voorbije dag op een speciaal voor dit doel aangelegde lijst. Zo’n 150 doorhalingen verder kon ik mijn parel eindelijk starten!
Op de school waarop ik zat werd vreemd opgekeken van de verschijning van een meisje op een brommer die tot dan toen enkel werd bestuurd door jongens. Ik lachte erom.
Meisjesbrommers mochten overal worden neergezet in de bromfietsstalling van de godsbrave HBS. Voor jongensbrommers gold een andere regel. Links stonden de door Elvis-fans geliefde Zündapps en Kreidler Floretts, minachtend buikschuivers genoemd. Rechts parkeerden de liefhebbers van beatmuziek hun Puchs en Tomossen. Tussen beide partijen bestond grote rivaliteit die voor luttele minuten werd opgeheven als iemand het gewaagd had een fiets tussen de brommers te stallen. Heel gezamenlijk werd zo’n rijwiel op het dak van de bromfietsstalling gemikt. Meestal trof dit droeve lot een kersverse brugklaspieper die de heersende regels nog niet kende.
Buiten schooltijd begon ik met het optuigen van mijn geliefde bezit. Niet alleen de kleine bel en het petieterige achterlicht behoorden tot de originele onderdelen die absoluut niet konden, ook het grote zwarte voorspatbord en het tamelijk lage stuur met het ‘waslijntje’. In etappes maakten ze plaats voor een grote bel, een chromen spatbord, een Hella-achterlicht (het enige niet foute dat er aan een Zündapp zat) en een hoog Zweeds stuur.
Niet overal in Nederland werd over bepaalde onderdelen hetzelfde gedacht. Terwijl vooral in de regio Den Haag de ‘kastjes’ voor gereedschap als ouderwets werden beschouwd, gingen ze voor gaaf en handig door in de regio Eindhoven waar ik toen woonde. Ik monteerde ze er dus op. De praktijk wees algauw uit dat je er beter niets in kon stoppen want de slotjes waren volstrekt onbetrouwbaar. Een andere aanwinst was de extra bagagedrager die op het eivormige tankje rustte. Handig om lp’s op te vervoeren. In dat tankje paste vijfenhalve liter mengsmering, goed voor zo’n 150 à 180 kilometer rijplezier. Het ‘sap’ werd bij de meeste benzinestations verkocht in 1-literflessen.
Zeker zo belangrijk als het uiterlijk waren de prestaties van mijn flowerpower-verzetsbrommer. Veertig kilometer mocht dan de maximum snelheid zijn, in mijn ogen was het een slakkengang. Een buikschuiver sneller af zijn en dan nog wel als meisje, leek me een geweldige sport. Allereerst sleutelde ik er andere tandwielen op: voor groter, achter kleiner. Toen ik bij de plaatselijke bromfietshandel belangstelling toonde voor een grotere cilinderkop, werd mij een aanbieding gedaan waarop ik meteen ‘ja’ zei: met slechts enkele tientjes bijbetalen kon ik mijn Tomos-motorblok inruilen tegen dat van een Puch met daarop een 60cc-cilinder en een zeventien millimeter Del Orto-carburateur die uiteraard was voorzien van een verstelbare sproeier. De grote ingreep maakte van mijn Tomos een TomPuch. Daarna werd het sparen voor een expansie-uitlaat. De prestaties bleven niet uit. Als ik de gashandel opendraaide wees de kilometer teller 70 aan in plaats van 45.
Deze snelheden maakten de aanschaf van een zijspiegel interessant. Zodra er in de verte iets opdoemde dat leek op een politievoertuig kon de snelheid worden teruggedraaid. Hetzelfde gebeurde als zich een buikschuiver aandiende. Terugschakelen naar de tweede versnelling en zodra de Zündapp of Kreidler langszij kwam gas bijgeven om vervolgens arrogant door te schakelen naar z’n drie en de rivaal het nakijken te geven.
In mijn woonplaats maakte ik deel uit van een vriendengroepje. Met vier Puchs en één TomPuch ging het dikwijls richting een heuvelachtig gebiedje. Staand op onze pedalen crosten we daar heuvel op en heuvel af. Wat voor ons lol inhield betekende ergernis voor de bewoners van het dichtbij gelegen verzorgingshuis. Er was er altijd wel een die de politie belde. Maar wat moest de politie met een Volkswagenbusje tegen vijf brommers die zich via smalle paden een weg door de bossen baanden? Ons vergrijp was uiteraard niet ernstig genoeg voor de heilige hermandad om het pistool te trekken.
Ofschoon ik mijn TomPuch door de jaren heen vooral gebruikte voor ritten naar vrienden, de kroeg, feesten en school, maakte ik er in de zomervakanties lange tochten mee. Dat ging zonder routeplanner, die bestond nog niet. Een landkaart ging ook niet mee, veel te onhandig zo’n groot vel papier. Op een kattabelletje noteerde ik de namen van de te passeren plaatsen en brommen maar.
Moeilijkheid was dat veel richtingborden naar de autoweg verwezen. Eén keer resulteerde dat erin dat ik geen andere uitweg zag dan een stukje over de vluchtstrook van de A2 tuffen. Gelukkig betrapte de politie mij niet. Dat gebeurde wel op een rijksweg ergens in Zeeland. Op het fietspad liepen strandgangers met bolderkarren, genoeg reden om het links te laten liggen. Met mijn haren wapperend in de wind sjeesde ik de hele meute voorbij. Dat schoot lekker op totdat ik in mijn zijspiegel een wit met rood gekleurde Ford Taunus van de rijkspolitie zag verschijnen. Langzaam minderde ik gas, zodat ik keurig 40 reed toen deze auto mij inhaalde en mij tot stoppen dwong. Ik ging naast de bestuurderskant van de wagen staan zodat de agent niet hoefde uit te stappen. Hij draaide zijn raampje naar beneden.
‘Wat doe ik fout?’, vroeg ik quasi verbaasd.
‘U mag hier niet rijden’, zei hij.
‘Maar waar dan?’, hield ik me van de domme.
De brave borst wees naar het drukke fietspad.
‘Oh? Ik dacht dat het een voetpad was, excuus. Ik ga er meteen naartoe.’
Of de beste man zich door mijn reactie overvallen voelde of over zijn hart streek? Hij was in elk geval alleen en dat zal zeker hebben uitgemaakt.
De eerstvolgende keer dat ik met politieagenten te maken kreeg moest ik afstappen en reden ze mijn TomPuch op de rollerbank. Mijn gespeelde diepe onschuld wat betreft zaken als een grote cilinder en carburateur (een carbura-watte?) mocht niet baten. In die tijd kreeg je je brommer enkele weken later terug als een samengeperst pakketje. Met een dikke prent als toegift.
Dikke tranen.
Heel af en toe droom ik nog wel eens over mijn TomPuch. Laatst nog, na een bezoek aan het Nederlands Transport Museum waar een Puch MV50 tentoon wordt gesteld. Terwijl ik mijn gedroomde goud van oud startte in mijn woonplaats van weleer, realiseerde ik me dat ik er de stad misschien niet meer mee in mocht. Ik nam het zekere voor het onzekere en reed de kant op waar ik ooit samen met broerlief mijn eerste proefrit maakte.