iPad aan Zee

Het is een mooie meid. Lang golvend haar zoals in een advertentie van een haarwasmiddel. Benen lang en slank als van een fotomodel. Haar huid is lichtgetint. Voor het oog heeft ze alles mee. Ouder dan vijftien zal ze niet zijn.
‘Kijk nou toch eens naar me!’, roept haar moeder die log en zwaar achter haar aan sjokt.
‘Ik wil helemaal niet op de foto!’, luidt het kribbige antwoord. Met een plof laat ze zichzelf in het zand vallen, met haar rug naar haar met een iPad uitgeruste ma.
‘Ach toe nou even, je doet me er zo’n plezier mee.’
‘Nee, nee en nog eens nee!’ roept de dochter en verstopt haar hoofd in haar armen.
‘Het is zo’n leuke herinnering voor later’, zegt de moeder die nu hoog boven de tiener uittorent.
‘Lekker belangrijk! Later laat me koud.’
Er valt een stilte. Enkele meeuwen paragliden hoog boven hun hoofden. De beide dames slaan er geen acht op. Moeder gaat door de knieën. De iPad houdt ze voor haar gezicht, alsof het een camera is. Haar schaduw valt over de tiener.
‘Stoppen nu!’, schreeuwt het onwillige fotomodel. Ze springt overeind en vlucht de duinen in.
De moeder kijkt om zich heen. ‘Je laat me hier niet zitten, hoor, met die twee zware tassen. Kom eens gauw terug!’
‘Jezus, mens, ik ben net boven!’ De dochter strekt haar beide armen triomfantelijk ten hemel, als een atleet die de beste tijd heeft gemaakt.
Met een diepe zucht stopt ma de iPad in één van de tassen. Met de rugzak half om haar rechterschouder en de strandtas in haar linkerhand, volgt ze het spoor van haar dochter. Halverwege blijft ze een moment staan, om het zweet van haar voorhoofd te wissen. Dan klimt ze verder.
Ik wil verdergaan met mijn krant, maar ha, daar dient zich alweer een volgend tafereeltje aan.
Een man met twee honden. Hij is een jaar of veertig. Zijn lichaam is gebruind, hij heeft al heel wat zonnestralen meegepikt, meer dan ik in elk geval. Hij draagt een donkergrijze short, zwarte sneakers en een ballenwerper. De honden, een golden retriever en een jackrussellterriër, springen om hem heen. De man beweegt zijn arm met de ballenwerper omhoog en maakt er een soepele beweging voorwaarts mee. Nog eerder dan de bal door de lucht vliegt, zetten de beide honden de achtervolging in. De grootste hond, de golden retriever dus, holt het hardst. Luid blaffend geeft het jackrusselltje zich gewonnen, terwijl de retriever met een sierlijke luchtsprong de bal vangt. Gracieus draaft hij terug, houdt stil bij zijn makker en laat de bal vlak voor diens neus vallen. Snel neemt de kleine hond de bal in zijn bek en rent ermee naar het baasje. Het spel wordt opnieuw gespeeld. En weer. De honden krijgen er geen genoeg van. Het verloop is steeds hetzelfde. Als het stel uit het zicht is verdwenen hoor ik het geblaf van de jackrussell nog. Er komt een hoop herrie uit zo’n klein hondje.
Tegen de tijd dat ik de krant uit heb en de cijferpuzzel gemaakt, is de zee aan het ebben. Tientallen meeuwen strijken op de droogvallende pieren neer voor hun diner.
Twee vrouwen komen het water uit. Ze zijn allebei in Eva’s kostuum, dat mag op dit deel van het strand. Eén van hen is zwanger, hoogzwanger. De andere, lang en graatmager, pakt de aanstaande moeder bij de hand. Haar overblijvende hand legt ze vol tederheid op de bolle, volle buik van haar partner. Zo lopen ze voort. Ik vraag me af of de magere spriet het kindje dat daar groeit voelt bewegen, of het kindje zich nu richting die liefdevolle hand verplaatst. Ontroerend mooi, zo’n prenataal contact.
En dan.
Dan ineens blijkt alles anders zodra het verliefde stel zich eenmaal enkele meters bij mij vandaan bevindt. De rondbuikige vrouw is, geen twijfel mogelijk, een hij die wel heel veel van het lekkere leven houdt. Nee, dit verzin ik niet. Waarom zou ik?
Kijk aan, daar zijn de moeder en de dochter weer. Nu dragen ze allebei een tas.
‘De patat is het lekkerst in het centrum’, zegt de tiener.
De moeder knikt. Ze gelooft het wel.
Een oudere man trekt de aandacht van een groot publiek. Niet vanwege zijn wijtingwitte lijf en ook niet vanwege het grijze haar dat in pieken over zijn hoofd valt. Hij wijst naar iets in de immense watervlakte.
Zal het een zeehond zijn?
Ik klauter uit de kuil die iemand anders een dag eerder voor mij heeft gegraven, drapeer mijn badlaken over mijn strandtas en wandel richting zee. Mijn ogen turen in dezelfde richting als de ogen van al die anderen.
Ja, ik zie hem!
Heel snuitig steekt zijn neus boven het water uit. Ik knijp mijn lippen op elkaar. Om niet luidkeels te roepen: ‘Zeehond! Hier is een tante Lenie!’ Terwijl ik de zee in loop gebeurt het toch.