Hondenlevens

Ergens op IJburg heb ik een heimelijk plekje gevonden waar het heerlijk zonnen is. Er komt geen mens. Toch moet ik er voortdurend op mijn hoede zijn, waaks als een hond. Omdat er steeds weer honden zijn die het óók weten te vinden.
Aanvankelijk had ik me dat natuurlijk niet bedacht. Gestreeld door de zon was ik in de armen van Morpheus beland. Wreed werd ik in mijn slaap gestoord door een natte neus in mijn gezicht. Het volgende moment keek ik in de hondstrouwe ogen van een zwarte labrador. Vergeefs duwde ik zijn snoet weg. Hij deed weliswaar enkele stappen terug op mijn ‘Toe, ga even weg joh’, maar het effect was allesbehalve wat ik voor ogen had, hij schudde zijn vacht uit. Altijd weer fascinerend hoe een hond zijn bontjas om zich heen kan slingeren, maar op zo’n douche zat ik niet te wachten. Zijn bal bood uitkomst, een natte smoezelige tennisbal die hij vlak bij mijn zonnebadend lijf had laten vallen. Ik slingerde zijn speeltje een eind weg, de hond vloog erachteraan. ‘Kom Caesar’, hoorde ik zijn baas. En tegen mij: ‘Sorry hoor!’
Een andere keer werd ik gewekt door het venijnig geblaf van twee keffertjes. Om het lawaai dat ze produceerden kracht bij te zetten, sprongen ze omhoog bij iedere blaf die uit hun keeltjes kwam. ‘Vooruit, weg jullie!’ , zei ik met enige stemverheffing.
‘Ze doen niets, hoor’, zei hun baasje.
Dus ook niet luisteren, dacht ik. Ik zei: ‘Nee, blaffende honden bijten niet.’
Hun vrouwtje moest drie keer roepen eer ze gehoorzaamden.
Terwijl ik nu mijn lijf insmeer met zonnecrème hoor ik het gehijg van een hond. Een roodbruine cocker spaniel. Zijn vacht is kleddernat van hetzelfde water dat enkele meters voor me lieflijk kabbelt. Enthousiast rent hij mijn kant op. ‘Nee!’, roep ik. Daardoor voorkom ik wel dat hij tegen me opspringt, maar hij banjert toch prinsheerlijk over mijn al uitgespreide badlaken. Ineens begrijp ik waar de uitdrukking hondsbrutaal vandaan komt. En dat Nietzsche zijn kwalen de naam Hond gaf.
Nee, nu niet meteen denken dat ik een hondenhater ben. Dat is een veel te snelle conclusie.
Ik pas wel eens op een hond van vrienden. Heerlijk om er hele einden mee te wandelen. Gezellig ook. Minder leuk om zijn poep op te ruimen. Maar nóg erger om erin te trappen. Dus hup, het zakje in met die onwelriekende warm dampende hap.
In Aalst-Waalre leefde vele jaren een kwispelgrage stratella die altijd naar me toe kwam zodra ik mijn auto aan de rand van het bos parkeerde voor een wandeling. Ruim een uur liep hij dan met me mee. Dat doet een hond niet als je een hondenhater bent. Zo’n woef voelt dat meteen.
Ik ben gewoon niet gediend van opdringerige honden. Ik was eens bij een alleenstaande oudere dame op huisbezoek. Ze had gezelschap van een hondje. Een hointje. Het diertje was een type van aan de voet, in dit geval bij mij. Steeds voelde ik zijn tong tegen één van mijn kuiten. Ik had hier dus duidelijk te maken met een k-likkertje, een kuitenlikkertje in dit geval. Mijn ‘Af!’ zeggen hielp maar voor enkele minuten, net als het in de mand sturen door zijn vrouwtje. ‘Mickey mag het bij mij altijd’, verontschuldigde ze zich.
Opdringerige honden zijn gewoon slecht opgevoede honden. Het ligt niet aan de hond maar aan het baasje.
Die conclusie hoorde ik zelfs uit de mond van de eigenares van een chocoladebruine dashond die kwijlend rondjes rende om de eettafel waar ik haar man interviewde over het houden van discusvissen. Toen het teckeltje nog een puppie was stopte ze hem altijd iets toe van zo ongeveer alles wat op tafel kwam. Daar was de hond op ingesteld. Krijg dat er nog maar eens uit.
Naar verluidt zou één keer voeren met een beschuit met pindakaas de remedie zijn, maar onlangs sprak ik nog iemand wiens hond dol is op die aan het gehemelte vastplakkende notenbrij. Honden lusten bijna alles. Zo kan zelfs de meest chique rashond nog een vuilnisbak zijn.
In mijn studententijd heb ik één van mijn medekamerbewoners wel eens een eenpansmaaltijd voor vier personen zien bereiden. Gehakt, champignons, paprika’s, uien, bruine bonen: dat werk. Nee, hij kreeg geen vrienden op bezoek, hij had de hond van zijn ouders te logeren. Vlekkie was dus bijna net zo breed als dat hij lang en hoog was. Op woorden als ‘worst’ en ‘koekje’ reageerde de buldog maar lauwtjes, zei je ‘biefstuk’, ‘kalfslapje’ of ‘taart’ dan was hij door het dolle heen. Het viel nog mee dat Vlekkie alleen maar water dronk. Een (slobber)wijn bij het vlees of een Banyuls bij het gebak: niet verkeerd.
Honden en muziek. Ook geinig. Cissy, een dalmatiër, richtte zich direct op in haar mand, hief haar snuit omhoog en liet een jammerlijk oe-oe-oe horen zodra de laatste klanken van Lovely Rita van The Beatles klonken. Ze oe-oe-de zelfs vol overgave mee met het hanengekraai in het daarop volgende nummer Good morning. Wij konden er geen genoeg van krijgen. Pas veel later hoorde ik dat bepaalde frequenties bij de hond het instinct oproepen om met lange uithalen de roedel bijeen te roepen.
Ja, er is veel te vertellen over honden. Alleen al daarom is het leuk dat ze er zijn.