Het viool

Ik haatte het kreng. Wilde er niet mee gezien worden. Maar eens per week moest ik ermee over straat. Zodra ik een leuke knul zag aankomen draaide ik er zo mee dat het onding aan het zicht onttrokken werd door mijn lichaam.
Hele ruzies heb ik erover gehad. Vooral met mijn moeder. Die vond dat ik moest doorzetten. Omdat ik er zelf voor gekozen had. Gekozen?! Nou ja!
Ik zat in de zesde klas van wat toen nog lagere school heette. Op een middag kwam er een oudere dame langs. Met een viool. Fascinerend was haar spel. O, als ik eens zo kon spelen!!!
Vol enthousiasme vertelde ik thuis wat er gebeurd was. Meteen werd er een viool aangeschaft. Een week later had ik mijn eerste les. Een harde les. Eén en al gekras en gesnerp. Eén en al ontgoocheling. En dat bleef zo. Zelfs toen ik de strijkstok kon hanteren en de juiste grepen wist te zetten, kwam er nog geen melodie uit.
Had die oudere dame maar gitaar gespeeld. Of piano. Hoogstwaarschijnlijk waren mijn ouders dan niet zo snel tot aanschaf overgegaan. In haar kinder- en tienertijd had mijn moeder zelf viool gespeeld. Een oude droom kon ik nu voor haar gaan waarmaken.
Intussen hield ik, tot haar grote schrik, van de Beatles en de Stones. En van Sean Mackin van Yellowcard had ik nog nooit gehoord, die popidool met zijn viool moest nog geboren worden.
De vioollerares werd knettergek van mij.
‘Arm onder de viool’, corrigeerde ze aan mijn arm trekkend mijn houding. ‘Hand recht!’
‘Jij moet een gitaar hebben’, verzuchtte ze.
‘Studeer je les’, schreef ze in mijn huiswerkschrift. Drie uitroeptekens erachter, drie strepen eronder.
Mijn moeder besloot er werk van te maken.
‘Je gaat nu viool spelen’, droeg ze mij op.
‘Dat vertik ik, die rotviool!’, bood ik tegenstand.
‘Zeg dat nog eens!’, verhief mijn moeder haar stem.
‘Dat vertik ik, die rotviool!’, deed ik wat ze zei.
‘Zeg dat nóg eens!’, zette ma een nog hardere stem op.
Nog nooit had ik haar zo horen schreeuwen.
Opnieuw ging ik in de herhaling.
‘En nu naar boven!’, reageerde ma met geheven wijsvinger.
Wederom gehoorzaamde ik. Ze kwam me achterna. Haalde de viool uit de kist en begon die te stemmen. Ze overhandigde hem: ‘Nu kun je spelen.’
Ik vertikte het. Met mijn rechterhand greep ik het instrument bij de hals, met mijn linker draaide ik alle knoppen los.
‘Je bent niet goed wijs’, twijfelde mijn moeder aan mijn verstandelijke vermogens.
Ze griste mijn algebraboek uit mijn boekenkast. En gebood mij een hele pagina vol sommen uit het hoofd te leren. 3a X 4b = ; 4a X 5b = ; of iets wat erop leek.
Nog nooit had mijn moeder me zo’n onzinnige opdracht gegeven.
Mijn liefde voor de viool nam er niet door toe. Integendeel. Ik sprak niet eens meer over de viool. Nee, het viool.
Met Sinterklaas pakte ik het in. Een etiket erop. Voor mam. Een gedicht erbij. De Goed Heiligman mag alles zeggen. Dus ook dat een viool een prima instrument is voor degene die er werkelijk van houdt. Dat het toch heel fijn was dat het na een lange zeereis nu eindelijk bij de juiste persoon terecht was gekomen. Toen de pakjesavond ten einde was kon ik het gewoon weer meenemen naar mijn kamer.
Nog nooit heeft een viool zo zwaar gewogen.
‘Als jullie zo graag mijn vioolspel willen horen oefen ik voortaan ’s morgens om vijf uur’, kwam ik met een wakker voorstel.
Het werd mij verboden. Ik kon werkelijk geen goed doen met die viool.
‘Weet je wat ik doe zodra ik hier uit huis ben? Dat viool aan de wilgen hangen. Zonde toch dat jullie al die jaren geld over de balk smijten voor dit jammerend gekras? Jullie zouden er zo veel leuks van kunnen doen.’
Gehoor bij mijn vader.
Mijn viool verdween naar de vliering. Met de bedoeling er geld van te maken heb ik hem jaren later laten zien aan een kenner.
‘Nog nooit zo’n rotviool gezien’, was zijn reactie.
Nu hangt hij vergezeld van koperen toeters en pannen ergens in een restaurant. Daar doet hij het goed.
Vioolmuziek mag ik weer graag horen. En niet alleen als Sean Mackin de snaren beroert. Ook als Nigel Kennedy het doet. Of Itzhak Perlman. Alleen speel ik het spel niet mee. Zonder erom te treuren.