Gifgroen en kersenrood

Op dagen als deze moet ik mezelf losrukken van mijn laptop om even een frisse neus te halen. Ik weet niet of ik mijn winter- of regenjas moet aantrekken, in deze tijd van het jaar doe ik het liefst helemaal geen jas aan.
Even een frisse neus halen. Die uitdrukking gebruikten wij als we een bakkie wilden doen bij mijn ouders. Want al werden we daar altijd even warm ontvangen, de verwarming stond er immer op vriezen.
Nu vriest het nog net niet maar de verwarming maakt overuren in deze sinds 1962 koudste lente. Buiten loopt een groepje jongens. Eén van hen heeft een muts op, een zwarte met een pompoen.
Zonder muts maar wel met de winterjas aan trek ik de deur achter me dicht. Het aardige van mijn woonplek is dat ik met vijf minuten lopen middenin de natuur ben. Het weelderig bloeiende fluitenkruid overtuigt me dat het volop voorjaar is. Een eenzame gierzwaluw scheert en buitelt door de lucht. Als er een volgend leven is kom ik graag als zo’n vogel terug. Of met de wiskundeknobbel én de goede ogen van mijn vader, zodat ik alsnog verkeersvlieger kan worden. Ik houd van vliegen. De kracht waarmee je in je stoel gedrukt wordt als het toestel zich losmaakt van de grond, het vederlichte gevoel te zweven op zonverzilverde vleugels, het immer wisselende uitzicht, de precisie bij het maken van een zachte landing.
Boven mij ineens gesis. Drie woerden leveren een verwoed gevecht. Je zou verwachten dat ze kwaken, maar de enige eenden die dat kunnen zijn de vrouwtjes. Ja, ook ik geloofde toen ik dat ontdekte aanvankelijk mijn oren niet. In Bulgarije is er zelfs een spreekwoord op gebaseerd: als de woerd kwaakt denkt de eend dat ze pauwenveren draagt. Maar nu zijn het woerdenveren die in het rond vliegen. ‘Ophouden!’ roepen heeft hier weinig zin.
Verderop roept een koekoek. Nog verderop klinkt het gekrijs van een halsbandparkiet. De exotische verschijning is in de omgeving van het Diemerpark al eerder gesignaleerd. Twee koppeltjes huizen er. In heel Nederland zijn er begin januari maar liefst 6200 halsbandjes geteld. Het verhaal gaat dat jaren geleden een paartje is ontsnapt uit hun kooi, dat ze samen heengingen en zich in rap tempo vermenigvuldigden. Een andere lezing is dat een kolonie uit Azië de vleugels richting de lage landen heeft uitgeslagen. Geregeld gaan er stemmen op of de gifgroene vogels wel in ons kikkerlandje thuishoren. Het zijn luidruchtige schreeuwlelijken. Ze zijn spilziek want van het lekkerste fruit eten ze slechts een paar happen voordat ze aan een ander stuk beginnen. Ze verjagen spechten uit hun holen. Nee, dat laatste is niet waar. Spechten bouwen ieder jaar zelf een nieuw nest. Let op wat je zegt. Voordat je het weet ga je door voor een ornithologische Wilders.
Het is overigens niet alleen de halsbandparkiet die naargeestig krijst. De koter die in een buggy door haar vader wordt voortgeduwd zet een keel op die de lawaai schoppende minipapegaai ruimschoots overtreft. Een geluidswagen valt erbij in het niet. Helaas, ook nu heeft het weinig zin om ‘Ophouden!’ te roepen. Omdat vader en kind zich in de tegengestelde richting bewegen die ik ga, wordt het al snel rustiger voor mijn oren.
Op de Nesciobrug staan twee jongens, de fietsen aan de hand. Langzaam tjoekt een motorvrachtschip onder hen door. Schepen hebben dikwijls welluidende namen. Con Amore. Terra Nova. Da Capo. Maar er zijn er ook genoeg die het met minder moeten doen. Chemgas 21. Veka 51. Contargo XII. Als je erop gaat letten varen er tientallen rond met namen als Jacoba, Wilhelmina en Cornelis. Rustig is het zelden op het Amsterdam-Rijnkanaal. De 59 kilometer lange waterweg staat zelfs te boek als het drukst bevaren kanaal ter wereld!
Hoog in de lucht zeilt een kokmeeuw. Zijn chocoladebruine kopje ziet er puur uit. Zijn kersenrode snavel en poten steken fraai af tegen zijn verder witte verenpak. Minutenlang laat hij zich met gespreide vleugels meedrijven op de wind. Hij is kampioen in het gebruik van de aerodynamica. Ik sluit mijn ogen, strek mijn armen zijwaarts uit en neem al fladderend een loopje. Een onhaalbare missie, ik weet het, maar verleidelijk is het wel, even die verbeelding meeuw te zijn. Als ik mijn ogen opendoe is hij gevlogen. Mijn winterjas is ineens te warm. Dat voelt prettig, in deze tijd van het jaar.