Expositie Carel Willink – Kasteel Ruurlo

Natuurlijk moest ik er naartoe. Ik bedoel naar dat kasteel in Ruurlo dat volhangt met schilderijen van Carel Willink. Vijf door Fong Leng gemaakte gewaden, ooit gedragen door Willinks Muze, Mathilde de Doelder, zijn er ook te bezichtigen. Evenals enkele foto’s die Paul Huf schoot in de tijd dat dit bijzondere trio nog onafscheidelijk van elkaar was. Als verre achternicht en zeker ook als (eind)redacteur van het boek Mathilde, Mythe, Muze, Mysterie, wilde ik dit alles beslist gaan zien.
De weerman heeft mooi weer voorspeld maar naar gelang ik verder oostwaarts rijd, moet ik de ruitenwissers van mijn auto steeds vaker aanzetten. De parkeerplaats tegenover kasteel Ruurlo is vol. Aangegeven wordt dat ik borden met een R erop moet volgen en dat er een pendelbus rijdt. Goed. Ik rijd richting centrum van Ruurlo en zie ook daar een overvolle parkeerplaats. Het miezert mistroostig. Ik maak rechtsomkeert en vind, op een afstand van zo’n zevenhonderd meter bij het kasteel vandaan, een kleine parkeerplaats. Het miezert nog altijd. Daarop heb ik me niet ingesteld met een colbertje aan in plaats van een regenjack. En mijn paraplu heb ik thuisgelaten. Even flink zijn maar, ik heb niet voor niets zo’n 175 kilometer gereden.
Als ik de glazen brug oploop die de publieke ingang vormt naar het museumgedeelte van het geheel gerenoveerde veertiende-eeuwse bouwwerk, zegt een man tegen mij op het moment dat ik een foto wil nemen: ‘Het is allemaal mooi opgeknapt hier, maar deze toko staat voor ons, Tukkers, toch vooral voor het verdriet dat het feodalisme heeft veroorzaakt.’
Bijna vijf eeuwen lang had de adellijke familie Van Heeckeren van Kell kasteel Ruurlo in bezit. In 1978 kocht gemeente Ruurlo het pand op waarna het van 1984 tot 2005 dienst deed als gemeentehuis. Ook dat werd verleden tijd toen Ruurlo na een gemeentelijke herindeling onder de gemeente Berkelland kwam te vallen. Alleen de trouwzaal bleef in gebruik. In 2012 kocht de puissant rijke Vordenaar Hans Melchers het monumentale bouwwerk en begon er zijn tweede privémuseum. Tegen NRC zei hij dat je, als je vermogend bent, een keer iets moet doen voor ‘everybody’.
Eenmaal binnen krijg ik een boekje mee ter vervanging van labeltjes met uitleg naast Willinks schilderijen. Het zou zeker zonde zijn het exotisch gekleurde damast met dergelijke kaartjes te verknoeien.
‘Het leeft niet’, zegt een vrouw, zich verplaatsend van Straat met standbeeld naar Huisje met open deur.
Haar pumps tikken op de fraai ingelegde parketvloer.
‘Volgens Willink zijn zijn schilderijen ook niet om in te leven maar om in te sterven’, zegt haar man.
‘Lekker dan’, reageert zijn vrouw. ‘Moet je deze dame hier zien. Dat is toch net een wassen pop?’
‘Het was vast een heel strenge man’, klinkt het verderop. ‘Bepaald geen lachebekje.’
Starend naar de immer dreigende wolkenluchten op zijn doeken lijkt me daarmee niets te veel gezegd. Pleinen zijn leeg, straten verlaten, landschappen onbewoond. Een van de twee Zebra’s in rood rotslandschap lijkt er dood bij te liggen. Zijn laatste schilderij, Landschap met kerncentrale, maakte hij in 1982. Achter een stel vergeten ruïnes van monsterlijke sculpturen doemt een stelletje koeltorens op. Daartussenin verrijst een groepje vervallen grafstenen. ‘Hij was erg onder de indruk van de bijna-ramp met de kerncentrale in Harrisburg in de Verenigde Staten’, verklaart het bezoekersgidsje.
In datzelfde gidsje wordt gesteld dat het vroeger heel normaal was dat een man drie, vier keer trouwde omdat vrouwen veel korter leefden. Maar dat is helemaal niet aan de orde in het geval van Carel Willink. Zijn eerste vrouw verliet hem, zijn tweede vrouw overleefde hij, zijn derde vrouw verliet hij, zijn vierde vrouw overleefde hem. Toch een pallet van diversiteit dat de stelling in het gidsje geheel weerlegt.
Van zijn vrouwen zijn enkel schilderijen te zien van Wilma Jeuken en Mathilde de Doelder, respectievelijk zijn tweede en derde echtgenote. Voor Willink was het van groot belang dat de anatomische gelijkenis met het model perfect klopte, vermeldt het boekje. Lichaamsverhoudingen van de geportretteerde werden zorgvuldig door de magisch realistische schilder nagemeten. Misschien is die tot in de detail doorgevoerde precisie er wel de oorzaak van dat alles zo koel overkomt. Onbewogen staart mijn verre, verre achternicht in het niets, alsof ze daarmee onbewust getuigt van wat ik zich in Willinks werken steeds weer zie herhalen: de leegte en het onechte.
In de museumwinkel liggen Mathilde en Willink in boekvorm naast elkaar. Op de cover van het boek Willink is de schilder samen met zijn vierde vrouw, Sylvia Quiël, te zien. Zal het toeval zijn dat de boeken zo zijn neergelegd dat Sylvia tussen Mathilde en Willink in staat? Van Sylvia ontbreekt verder ieder spoor in de expo. Geen van de doeken is te aanschouwen waarop Willink haar uitbeeldde als naakte schoonheid. Ik mis de portretbuste die ze zelf van Willink maakte.
Op 07/07 jongstleden, de dag waarop Mathilde 79 zou zijn geworden, maakte de Gelderlander bekend dat museum More ‘gewone’ mensen opriep levenskunst à la Mathilde te tonen in de vorm van paradijsvogels, uitdossingen, lookalikes. Vervolgens zou op 09/09 de prijsuitreiking plaatsvinden in kasteel Ruurlo en zou Lisette de Zoete, de schrijfster met wie ik twee jaar samenwerkte aan de biografie over Mathilde, een lezing geven. Het feest ging niet door.
Op de okergele fluwelen bankjes van de Orangerie die tevens dienst doet als museumcafé, zoek ik doelbewust het interview nog eens op dat NRC destijds publiceerde over de opening van Hans Melchers’ tweede museum. Ik vind waar ik naar op uit ben. Wat ik lees? ‘…. dat gedoe met zijn laatste vrouw… Die eh… Sylvia. Daar heb ik behoorlijke botsingen mee gehad. Vertel jij dat eens, Albert. (Hartink: ‘Het ging over geld, ze wilde veel geld.’) Ja, dat was het. Verschrikkelijk was dat, verschrikkelijk. Nee, daar was geen klik.’
Dat gedoe was er ook rond de verkrijging van publicatierechten van al het beeldmateriaal uit het leven van Mathilde, zoals de oplettende lezertjes van pagina 381 in de biografie over Willinks muze niet zal ontgaan. Sylvia liet weten dat zij gezien de inhoud van Willinks testament en ‘het respect dat de mens en kunstenaar Carel Willink verdient’ geen medewerking kon verlenen aan het boek.
Buiten miezert het inmiddels niet meer, maar de lucht is nog altijd grauwgrijs. Geen Willink-lucht maar toch ook niet bepaald uitnodigend. Teruglopend naar mijn auto vraag ik me af of Sylvia jaloers is op de aandacht die er nog altijd is voor Mathilde, die andere vrouw dus in het leven van haar man, Carel Willink. Toch kan het niet anders dan dat haar man mede dankzij zijn verleden geworden is wie hij uiteindelijk voor haar was. En het was Mathilde die ten onder ging in het verdriet van de verlating. Misschien moet ik het hier toch nog maar eens zeggen. Iemand verliezen door de dood is verschrikkelijk maar de liefde van een overleden partner verlaat je nooit. Iemand verliezen door het leven is ook verschrikkelijk, temeer als de liefde van een ex-partner is omgeslagen in een hartverscheurende haat.