Erkenning van gemis

Ik word gemist. Dat bericht bereikte me omdat het alweer even geleden is dat ik iets op mijn Facebookpagina heb geschreven. Het idee dat ik gemist word stemt me blij.
Stel dat niemand je mist. Dat doet me denken aan het kind dat vergeten wordt met verstoppertje spelen. Dat wordt huilen.
Als tiener schreef ik ooit heel dichterlijk met een buik vol vlinders voor mijn eerste vriendje: ‘Als hij bij mij is denk ik: Fijn dat hij er is. Als hij niet bij mij is denk ik: Fijn dat ik hem zo mis.’
In het gemis rijpt het verlangen, vertelt mijn ervaring nu. Niet de verplichting maar het verlangen schept de verbinding. De verplichting kan juist als kiespijn worden gemist. Denk maar aan verplichte familiebezoekjes en verjaarspartijtjes.
Heel veel kan worden gemist. De boot bijvoorbeeld. De boot missen betekent dat je te laat bent. Als je de tram mist, de bus, de metro, de trein of het vliegtuig ben je ook te laat, maar om de één of andere reden is de boot voor dit vervelende verschijnsel spreekwoordelijk geworden. Wellicht vanwege dat schip met geld. Me dunkt dat je die geldschuit niet wilt missen voor het geval dat die toch nog eens komt.
Ik miste een keer bijna het vliegtuig. Op Heathrow stond ik te wachten op de aankomst van mijn toestel. Ik vergaapte me aan de vele kisten die aankwamen en vertrokken. Sommige kende ik alleen maar van plaatjes.
‘Hallo’, hoorde ik ineens een stem van nog een luchtvaartfreak.
‘Hé, een Hollander’, zei ik vanwege zijn uitspraak.
We reageerden allebei uitgelaten om weer eens gewoon Nederlands te kunnen praten. Ik houd van mijn moerstaal.
Er ontspon zich een levendige discussie waarin we elkaar uitgebreid vertelden over de door ons bezochte cursussen. Met daarin steeds onderbrekingen als: ‘Kijk daar, die Concorde!’, ‘Mooi hè, die Lockheed Tristar daar! Nog nooit gezien in de kleuren van British Airways.’ (Voor de kenners die dit lezen: ja, het is al weer even geleden).
Ook de Fokker 100 die ons naar Schiphol zou brengen, ontsnapte niet aan onze belangstelling. Nog volop tijd, constateerden we.
Maar ook de tijd vloog.
‘Hoe laat is het eigenlijk?’, schrok ik ineens op uit onze aandacht voor een statig voorbij taxiënde Boeing 747.
‘Jee! Over drie minuten vertrekt onze kist!’, riep mijn gesprekspartner uit.
‘Kom op, lopen!’ antwoordde ik en zette, de daad bij het woord voegend, meteen de gang erin.
Met de tong op de schoenen glipten we nog net op tijd ons toestel binnen.
‘Fijn dat u er bent’, begroette een stewardess ons. ‘We hadden zojuist besloten te vertrekken. We hebben u vier keer omgeroepen.’
‘Dat is geluk hebben’, verzuchtte mijn reisgenoot.
‘Nee, dat is vertrouwen’, lachte ik.
In die tijd vloog de bemanning nog met de cockpitdeur open. Als luchtvaartenthousiast kon je nog gewoon een praatje met de vliegers maken. Na Nine Eleven veranderde dat allemaal.
Een vertrouwensbreuk. Waarin de pijn van het gemis zich laat voelen.
Over de pijn van het gemis gesproken.
Deze zomer overleed één van mijn hartsvriendinnen. Juist in het gemis stormt zij mij tegemoet.
Ik zie haar weer staan met open armen, ik voel haar omhelzing, hoor haar stem weer, haar lach. Mijn tranen die voortvloeien uit de pijn van het gemis, blijven daarbij niet uit. Nee, het voelt niet fijn haar te moeten missen.
Toch voel ik in alle gemis juist de rijkdom dat ik haar heb mogen kennen.
Bij gemis denk ik ook aan troost.
Troost kan ik vinden in de erkenning van het gemis.
De kinderen van mijn overleden vriendin gaven daar op een bijzondere manier vorm aan. Enkele weken na haar uitvaart werden we uitgenodigd nog één keer samen te komen in haar appartement. De vraag wat we van haar meenemen, stond hierbij centraal.
Haar kinderen zorgden voor een warm onthaal. Overal stonden fleurige bloemen. Er was heerlijke taart. Goede wijn. Ach, wat zou onze dierbare overledene hiervan hebben genoten.
Ik miste haar pijnlijk in de woning die nog zo verweven was met haar bestaan. Al die spullen die aan haar herinnerden, als stille getuigen van haar eigenheid.
In al onze verhalen passeerde zij in haar huis nog één keer de revue.
Toen was er het moment waarop alle aanwezigen voorwerpen konden meenemen die onze herinneringen aan haar verbeelden. Het moment waarop je iets kostbaars verliest terwijl je iets bijzonders meekrijgt.
Op mijn knieën zat ik samen met nog drie van haar vriendinnen voor haar boekenkast. Prachtige kunstboeken. Schitterende literatuur. We hadden het voor het uitzoeken. De kussentjes die ik zo vaak op een andere stoel had gelegd alvorens ik de nacht op haar slaapbank doorbracht, stopte ik nu in een tas. Stukje bij beetje verdween haar leven uit haar woning.
Terwijl ik dit stukje zit te tikken geniet ik van de thee die ik in haar vrolijk gekleurde theepot heb gezet. Zeker vind ik er troost in dat haar kinderen het gemis hebben erkend van de vrienden en kennissen van hun moeder. Ik vind het een gebaar dat navolging verdient. Laat ik het nog duidelijker zeggen: ik hoop dat het net zo mag gaan als ik geen deel meer uitmaak van dit leven.
Maar zolang ik hier nog van de partij ben, zet gemis mij aan tot creativiteit. Volgens mij komt uit het gemis de schepping voort.
Het idee dat ik gemist word heeft me niet alleen blij gemaakt, het heeft me ook aangezet tot het schrijven van deze tekst. Die anders nooit in deze vorm zou zijn ontstaan.