Er bestaan wél domme vragen

Het was net een beertje, de geschiedenisleraar uit mijn middelbare schooltijd. Teddyhaar op het hoofd, guitige kraaloogjes en een flink gevuld lichaam. Behalve met het geschiedenisboek werkte hij ook met een vragen- en een antwoordenschrift. Voor het vragenschrift stelde hij vragen op over de lesstof, voor het antwoordenschrift formuleerde hij de enig juiste antwoorden. In geval van een schriftelijke overhoring of proefwerk schreef hij simpelweg de nummers van de vragen op het bord waarop de leerling met een antwoord moest komen. Het vragenschrift en een pen waren dan de enig toegestane attributen op de lessenaars. Nadat hij het krijtje in het bakje onder het bord had gemikt vroeg hij altijd wie uit de klas iets boven die vragen had geschreven. Niemand natuurlijk! Maar in die tijd interesseerde geschiedenis mij allesbehalve. Reden dat ik tot de leerlingen behoorde die heel dun met potlood enkele kernzaken boven de vragen in het schrift hadden geschreven. Ging altijd goed!
Welbeschouwd was de vraag die de beste man stelde volstrekt zinloos.
Men zegt dat er geen domme vragen bestaan maar daar zet ik toch echt een welgemeend vraagteken achter.
Ben ik druk bezig in de keuken, bijvoorbeeld met uien snijden of deeg kneden, gaat de telefoon. Geen goed moment dus voor een belletje. Zeg maar gerust een rot moment voor een belletje. Snel handen wassen, in grote stappen erheen, is het iemand van een callcenter. ‘Mag ik u even storen?’, is de vraag. Sorry hoor, maar die krijgt steevast als antwoord: ‘Dat doet u al.’
Soms kan ik het niet nalaten om exact hetzelfde antwoord te geven op de vraag: ‘Mag ik u wat vragen?’ Alleen voeg ik er dan direct met een grote glimlach aan toe: ‘Maar vraagt u gerust nog iets.’
Wat is er toch tegen om linea recta je punt te maken en gewoon op vriendelijke toon te zeggen: ‘Goedemiddag, ik wil u graag wat vragen.’
Nog minder begrijp ik de vraag ‘Ben je thuis?’ als ik op mijn huistelefoon word gebeld en zelf opneem. Of er een andere vraag achter schuilgaat, ik weet het niet. Ik kan het me zomaar voorstellen. ‘Ben je straks ook nog thuis? Dan kom ik even langs.’
Of dan deze vraag van iemand die mij op mijn mobiele telefoon belt: ‘Waar was je toch steeds? Ik kon je maar niet bereiken.’
Lachwekkend is de open deur die de gezagsgetrouwe, lichtgeraakte commissaris Bulle Bas uit de Bommelsaga steeds weer opentrapt in zijn pogingen het recht zijn beloop te laten hebben: ‘Ik ga je bekeuren, Bommel. Hoe is je naam?’
Ik moet het de strenge dienstklopper nageven, hij praat in de tegenwoordige tijd.
Anderen vragen doodgemoedereerd: ‘Wat was je naam ook alweer?’ en ‘Hoe heette je ook alweer?’ Oké, mijn naam is wel eens veranderd, maar mannen die hun hele leven lang naar dezelfde naam luisteren, krijgen de vraag ook voorgeschoteld. Het zal wel aan mij liggen, maar ik moet me op zulke momenten vreselijk inhouden om niet uit volle borst te gaan zingen: ‘Hoe je heette, dat ben ik vergeten.’ Ik denk zomaar dat ik hiermee ook meteen het antwoord te pakken heb waarom in dit geval de verleden tijd wordt gebezigd.
Vragen als deze weet ik me helemaal geen raad mee: ‘Hoelang is het wel niet geleden dat we elkaar gesproken hebben?’ Wat is het nou: wel, niet, nietes, welles?
Nog een soortgelijk gevalletje: ‘Vind je dat geen leuke vent?’ Als ik het een leukerd vind, is mijn antwoord: ‘Ik vind dat juist wél een leuke vent.’ Maar vind ik het een kwal, dan zeg ik: ‘Inderdaad, ik vind dat geen leuke vent.’
Rest nog de categorie tactloze vragen. Echt zeer tactloze vragen. Dus ongelooflijk domme vragen.
Tegen iemand zonder kinderen: ‘Waarom heb jij geen kinderen?’ Waarom zou iemand zich daarvoor moeten verantwoorden? Omdat, zoals vadertje Cats ooit stelde, wie geen lieve kinders heeft voorwaar niet weet dat hij leeft? Omdat het normaal is om wél kinderen te hebben? Maar wat is normaal? Wat voor de meesten geldt? En wat is leven, werkelijk leven? Zijn kinderen daarvoor een garantie?
Tegen ouders van een kind met een beperking: ‘Dat hoeft tegenwoordig toch niet meer?’ Aan wie is de keuze? Toch niet aan de vraagsteller? Hoe beperkt is de vraagsteller zelf? Wie moet je tegen wat beschermen? En bovenal: wat is levenskwaliteit en waarmee bied je die?
Tegen een vader of moeder waarvan één van de kinderen is overleden: ‘Je hebt er toch nog drie?’ Alsof de aanwezigheid van andere kinderen het verlies van dat ene kind zou kunnen compenseren. Alsof je niet zou mogen rouwen om dit grote verlies omdat je nog meer kinderen hebt. Al heb je er nog 100, dat ene kind is onvervangbaar!
Tegen een homo: ‘Waarom ben jij eigenlijk homo?’ Tja, waarom ben je wie je bent?
Over sommige dingen van jezelf kun je nadenken. Bijvoorbeeld over de vragen die je stelt.
Een ware kunst is dat, goede vragen stellen.