Een sprookje II

En toen kwam er een olifant…

Lang, lang, lang geleden leefde er eens temidden van alle andere dieren een grote, grijze olifant.
Op een avond zaten alle dieren met elkaar rond het kampvuur, terwijl de uil een verhaal voorlas. Dit verhaal greep onze olifant zo aan dat hij ervan zuchten moest. Die zucht gaf zo veel lucht dat het vuur uitging. De uil stopte met lezen. Behalve donker was het nu ook doodstil.
“En toen kwam er een olifant met een lange snuit en die blies het verhaaltje uit”, lachte ineens de vos.
Algauw werd die kreet in het ganse bos gemeengoed, hij drong zelfs in de mensenwereld door!
Onze olifant was daar allesbehalve gelukkig mee. Steeds als hij ergens rondliep was er wel een dier dat riep: “En toen kwam er een olifant met een lange snuit en die blies het verhaaltje uit!” Zo werd hij er alsmaar aan herinnerd dat iets in hem niet goed was.
Hij besloot voortaan heel voorzichtig te ademen. Soms kreeg hij het er helemaal benauwd van. Toch was hij er heilig van overtuigd dat hij het beter benauwd kon hebben dan de andere dieren last van hem.
Zijn vrouw deelde die mening, vond dat ze niet anders kon, ze had nou eenmaal op de dag van haar huwelijk beloofd dat ze haar man in alles volgen zou. En zo gebeurde het dat hun kindertjes en nog vele olifantenkindertjes in de generaties daarna, werden grootgebracht met het idee dat ze niet vrij mochten ademen en zich vooral niet mochten laten gaan.
Op een dag gebeurde het echter dat er een klein wit olifantje werd geboren, met schrandere oogjes en lange, zwierige oren. En toen het olifantje nog maar net ontdekt had hoe het op zijn vier pootjes kon staan, kwam het er ook al gauw achter dat het, door hard met zijn oren te klapperen, kon vliegen! De hele wereld was verbaasd: dit was een wonder!
Aanvankelijk viel het vliegend olifantje enkel lof en erkenning ten deel. Hij werd zelfs gezien als de grote bevrijder van de olifant! Van allerlei dieren gingen bij hem te rade, in de hoop zich de vliegkunst eigen te maken en naar vertes te vliegen waarin ze alle leefruimte zouden hebben die ze voor zichzelf dachten nodig te hebben.
Toen het olifantje merkte dat de andere dieren geen oren hadden die geschikt waren om te kunnen uitvliegen, verdiepte het zich lange tijd in hun leefwijze. Daardoor raakte hij ervan overtuigd dat vrijuit ademhalen ieder levend wezen in staat stelt om vrij te kunnen leven, dat uitvliegen daarvoor onnodig is. Hij trok het dierenrijk door om deze bevrijdende boodschap uit te dragen.
Alhoewel enkele dieren hem in die leer volgden, werden de meeste toornig en richtten zich uiteindelijk tegen het witte olifantje, dat inmiddels een grote witte olifant geworden was. Ze namen hem gevangen en zeiden:
“Als jij werkelijk zo vrij bent om overal te kunnen leven, kan je hier ook je leven in vrijheid leven.”
De olifant bleef blijmoedig, ondanks dat de dieren die hem gevangen hielden, hem steeds meer in zijn vrijheid beknotten.
“Je kunt toch vliegen?”, hoonden ze. “Red je hier dan uit!”
Maar de olifant bleef waar hij was, deed zelfs geen vliegpoging met zijn oren, bleef wel blijmoedig en zachthartig. Toen ze hem ook geen eten meer gaven, stierf hij uiteindelijk en een witte duif steeg op uit zijn hart, zijn lichaam.
Vanaf dat moment ontstond er bij alle dieren niet alleen een diepe verwondering voor de witte vliegende olifant, maar ook een groot berouw voor wat ze hem hadden aangedaan. Het berouw toonden ze door niet meer vrij te ademen en zich niet meer te laten gaan. Sindsdien vertelden ze over de erfzonde van de grijze olifant en over het witte olifantje dat stierf om alle levende wezens daarvan te verlossen. Deze vertellingen gingen van ouder op kind, generaties lang.
Op een dag, vele eeuwen later, werd er in een klein olifantengezin een zwart olifantje geboren. Toen dit olifantje nog maar net op zijn vier pootjes kon staan, liep het steeds weg, op zoek naar licht en warmte.
“Je moet je laten leiden door de witte olifant, kindje”, hield zijn moeder hem voor. “Jij bent zwart, jij zoekt het licht, hij is het licht”.
Maar het zwarte olifantje bleef zijn eigen weg gaan, verdwaalde uiteindelijk in het bos en vond, na vele jaren dwalen en zoeken, de weg door het bos.
Eenmaal teruggekeerd uit het bos, bezocht hij zijn familie. Zijn moeder ontving hem met open armen en zei dat de witte olifant haar dit licht gebracht had, want ze kon niet leven met het gemis van haar zwarte kind. En het zwarte olifantje, dat inmiddels een grote zwarte olifant geworden was, sprak haar blijmoedig en zachthartig toe:
“Dank je dat je mij het licht hebt laten zien door mij eerst het leven te hebben geschonken en mij te vertellen dat ik op zoek ben naar het licht, want daarmee heb je me ook verteld dat ik mijn eigen licht mag hebben en dus zelf licht mag zijn.”
Vanaf dat moment begreep de zwarte olifant de boodschap die de witte olifant gebracht had. Hij nam zich voor geen verteller te worden, want hij vond dat de weg niet om zijn licht te laten schijnen. Hij opende een kleine praktijk, waarin hij ademhalingsoefeningen gaf. En zo trainde hij niet alleen anderen, maar vooral ook zichzelf in het in- en uitademen, het nemen en geven van licht.