Een nare man en het vijfde gebod

Een nare man. Altijd chagrijnig. Altijd mopperen.
Altijd? Ja. Altijd.
Met wie hij geen woorden heeft, heeft hij mot. Met wie hij geen mot heeft, heeft hij heibel. Met wie hij geen heibel heeft, heeft hij bonje. Met wie hij geen bonje heeft, staat hij op voet van oorlog. En met wie hij niet op voet van oorlog staat, is hij gebrouilleerd.
Zijn vrouw is bij hem weggelopen. Zijn inmiddels volwassen kinderen heeft hij in geen jaren meer gezien. Als hij komt dialyseren groet hij alleen patiënten van het blanke ras. Zuchtend ondergaat hij het als hij op de apparatuur wordt aangesloten door een verpleegkundige, waarvan duidelijk zichtbaar is dat de wiegjes van de voorouders niet in Nederland hebben gestaan.
Een nare man dus.
Ik werk nog maar net op de dialyse als ik hem krijg toegewezen.
Hij leest de krant als ik hem opzoek.
‘Goedemiddag’, begroet ik hem. ‘Ik ben Lieneke Koornstra, de nieuwe medisch maatschappelijk werker. Ik wil graag even kennis met u maken. Komt het uit?’
‘Dat moet dan maar’, antwoordt hij en legt de Telegraaf neer. ‘Je bent de zoveelste hier. Wat moet je van me weten?’
Terwijl ik op het krukje naast hem ga zitten zeg ik: ‘U kunt nog zo bot doen, maar ik houd me altijd vast aan een uitspraak van koningin Wilhelmina: als je bereid bent het goede in een mens te zoeken, zal je het ook in hem vinden.’ Vol overtuiging voeg ik eraan toe: ‘En reken maar dat ik het in u vind.’
Dan gebeurt er iets totaal onverwachts. De man begint te huilen. ‘Neemt u mij niet kwalijk’, zegt hij grijpend naar zijn zakdoek. Hij droogt zijn tranen, maar die laten zich niet stoppen. ‘Ik heb niemand meer’, kan hij uiteindelijk uitbrengen. ‘Iedereen heeft een hekel aan me. En waarom? Ik ben altijd een goede vader geweest. Maar mijn kinderen lappen het gebod om hun ouders te eren compleet aan hun laars.’
‘U bent kerkelijk?’
‘Ja, ik ga iedere zondag twee keer naar de kerk.’ Hij snuit zijn neus. Een toeter waar een olifant stil van wordt. ‘Net als mijn kinderen,’ zegt hij en wrijft met zijn zakdoek onder zijn neus. ‘Maar zij kerken ergens anders zodat ze mij niet onder ogen hoeven komen.’
Ik knik. ‘Zij kennen dat gebod dus ook. Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat de Heere, uw God, u geeft.’
Zijn ogen beginnen te schitteren. ‘U bent goed op de hoogte.’
Opnieuw knik ik. ‘Wat verstaat u onder eren?’
Hij kijkt mij ongelovig aan. ‘U gaat mij nu toch niet vertellen dat u niet weet wat eren betekent?’
‘Ik ben gewoon benieuwd wat ú eronder verstaat.’
De man geeft het antwoord dat ik al verwachtte: ‘Dat kinderen ontzag hebben voor hun ouders. Ontzag en respect.’
Mijn geluk op dit speciale moment is dat de relatie tussen mijn ouders en mij ook dieptepunten heeft gekend. Genoeg reden destijds voor een flinke worsteling met dat vijfde gebod. Daarom ken ik een andere Bijbeltekst ook heel goed. ‘Bekend met de tekst uit het Bijbelboek Maleachi over de profeet Elia?’, vraag ik.
De blik waarmee mijn gesprekspartner me nu aankijkt is glazig. ‘Nee, nee,’ zegt hij met een stem waarin enige verwarring doorklinkt.
‘Daarin spreekt God erover dat Hij voordat de grote en geduchte dag des Heren komt, de profeet Elia zal sturen, die het hart der vaderen zal terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen. Wat mij in die woorden treft is dat het terugvoeren van het hart der vaderen tot de kinderen het eerste wordt genoemd. Als een vader hart heeft voor zijn kinderen, kunnen de kinderen tot hem komen. Hoeveel hart heeft u voor uw kinderen?’
‘Ik houd van mijn kinderen. Mijn zoon werkt bij de politie, geweldig!’
‘Hoeveel kinderen heeft u?’
‘Drie. Het zou fijn zijn geweest als één van die meiden ook een jongen was geweest.’
Mijn tenen krommen in mijn schoenen.
‘Mijn kinderen kijken totaal niet naar mij om. Ze weten dat ik in een verzorgingshuis woon, dat ik dialyseer, dat ik op de hartbewaking heb gelegen.’ Zijn onderlip trilt. ‘Het interesseert ze niet. Dat verdien ik toch niet?’
‘Ik weet niet wat een mens verdient’, reageer ik. ‘Hoe zou u het vinden als ik een bemiddelingspoging doe?’
Hij slikt. ‘Wilt u dat?’
‘Anders bied ik het niet aan. Alleen heb ik dan wel uw hulp nodig.’
De man pakt zijn agenda. ‘Wilt u hun telefoonnummers hebben?’
‘Dat ook. Maar voordat ik contact met hen opneem wil ik eerst met u van gedachten wisselen over de betekenis van het woord eren. Voor mij houdt het in dat ik die persoon zie zoals hij werkelijk is. Dus met al zijn leuke kanten en ook zijn minder prettige.’
Er valt een stilte die ik uiteindelijk zelf doorbreek. ‘Hoe is het voor u om vanuit mijn invalshoek naar het eren van je ouders te kijken?’
‘Tja. Wat zal ik zeggen? Nieuw. Zo heb ik er nog nooit eerder bij stilgestaan.’
‘Ik kom volgende week bij u terug om hier verder op door te praten. Is dat goed?’
‘Komt u dan bij mij op huisbezoek?’
Vanuit het besef dat het gesprek bij hem thuis vertrouwelijker kan zijn dan in de grote ruimte waar nog vijf mensen spoelen en waar altijd verpleegkundigen rondlopen om het dialyseproces te bewaken, zeg ik: ‘Ja.’
‘Neemt u dan een haring voor mij mee? Ik ben dol op haring en er is bij mij geen viswinkel in de buurt.’
‘Ik zal er twee kopen, voor ons allebei één.’
‘Voor mijn rekening graag’, zegt hij.
Nadat de afspraak geregeld is en ik de telefoonnummers van zijn kinderen heb genoteerd, sta ik op en reik hem mijn hand.
De zoektocht naar zijn goede zelf is begonnen.