De tent afbreken

Mooi zo. De eerste badgasten gaan weg. Ze hebben zich zojuist aangekleed. Hij in een kaki boxershort met een donkerblauwe polo erboven, zij in een bloemetjesjurk. Nu trekt de man de haringen uit de grond van het al snel inzakkende rood met blauwe tentje. De vrouw sjort de twee kortste tentstokken tussen het tentdoek vandaan. Bij het verwijderen van de langste stok verrichten ze teamwork, waarbij de man het glasfiber kampeerartikel behendig ineen vouwt. Het tentje moet nu opgevouwen. De man tilt het geheel op en slaat er enkele malen mee heen en weer, alsof het een reuzenstofdoek is die wordt uitgeklopt. Vervolgens drapeert hij het op de grond en gaat op zijn knieën op het grondzeil zitten. Dat hij geen kampeerder is, blijkt uit de manier waarop hij het tentje opvouwt. Om het allemaal nog wat lastiger te maken loopt de hond, een beagle, eroverheen. ‘Ga eens weg, Niels’, zegt de vrouw die nu met haar handen in haar zij toekijkt. Het beest gehoorzaamt. De man doet ijverig zijn best om van het tentje een zo klein mogelijk pakketje te maken. Het verkregen resultaat rolt hij strak op. Nu moet het de foedraal in. De man houdt de compacte rol als een knots voor zich uit terwijl de vrouw de hoes eromheen trekt. Dat lukt tot halverwege. De man neemt de klus over. Hij komt niet verder dan driekwart. De vrouw duwt krachtig op de resterende tentstof die nog uit het rode hoesje pulpt. Het mag niet baten. Dan maar zo in de badtas.
Iets verderop gaat er ook een tentje tegen de vlakte, een blauw met geel nu. De man heeft zijn rode joggingbroek al aangetrokken. De vrouw, geen slanke den maar een grove, loopt in een witte onderbroek. Haar borsten hangen zwaar naar beneden terwijl ze de badlakens opraapt. Ik denk aan stalactieten. De man vouwt het tentje in vieren. Ik verwacht weer een tas, maar nee, hij slaagt erin het geheel zeer strak op te rollen en probleemloos in het hoesje te krijgen.
Tja, hoe eenvoudiger iets lijkt, hoe moeilijker het doorgaans is.
In de zee spelen een man en een vrouw met een frisbee. ‘Mooi!’, roept hij elke keer als zij met haar lichaam omhoog rijst om de grasgroene plastic schijf op te vangen. Zijn bruingebrande kale hoofd glanst in de zon. De grote grijze hangsnor die zijn gezicht ontsiert doet me aan een walrus denken. Nee, ik houd niet van snorren. Of het moet het geluid van een poes zijn. Of een vogel.
Iets verderop staat een man bij een hondje. ‘Kom dan’, spreekt hij het diertje bemoedigend toe. De havanezer vertikt het. Met zijn hele lijf staat hij in de achteruitstand terwijl zijn pootjes steeds dieper wegzakken in het natte strandzand. De hond weet nog net te voorkomen dat hij tot aan zijn buik wegzinkt, moeizaam trekt hij zijn stramme onderdanen uit de blubber. Ook bij een trouwe viervoeter komt de ouderdom met gebreken.
Twee tienermeiden bouwen een kasteel. Ze graaien met een hand in de modder, ballen hem tot een vuist en laten het natte zand er in straaltjes uitlopen. Nu denk ik aan stalagmieten. En ook aan Antoní Gaudí’s Sagrada Familia.
Een peuter loopt brullend naar zijn moeder. Zijn all in one luier is nat en zanderig. Nee, daar word je niet blij van.
Wederom vertrekt er een stel. Opnieuw geen kampeerders. Hun geel met groene tentje verdwijnt zo in een enorme tas, nog net geen hutkoffer.
De zwarte labrador van hun buren graaft met een mateloze energie een kuil. Met een rotvaart vliegt het zand achter de hond omhoog. Aan zijn zwiepende staart zou ik wel een windmolen willen binden, goed voor vele uren efficiënte groene stroomopwekking.
Een man vol tattoo’s schopt zand uit het kruis van de zwart met wit geblokte broek waar hij zich in hijst. Zijn partner rolt de badlakens op, een geeloranje met zwarte dolfijnen erop en een lichtblauwe met donkerblauwe schelpen.
Steeds meer zonaanbidders keren huiswaarts, een voortdurende stroom van mensen die vertrekken zet zich in beweging langs de kustlijn. Ze dragen van alles met zich mee. Tassen. Parasols. Kampeerstoeltjes. Koelboxen. Schoenen. Bij een enkeling bungelt het schoeisel met aaneengeknoopte veters over de schouder. Weer een ander trekt een kar voort. Een mens draagt wat mee in zijn leven, zelfs voor enkele uurtjes vertoeven aan zee.
Langzaamaan nemen de meeuwen weer beslag van het strand. De vogels strijken neer met hun wieken in de remstand, hun staarten uitgespreid en hun poten naar beneden als een landingsgestel. Eenmaal met de beide voetjes op de grond houden ze de vleugels voor een ogenblik hoog boven het lichaam, vouwen ze samen en trekken ze vervolgens helemaal in. Een aantal gaat erbij zitten.
Het is voor vandaag weer mooi geweest.
Alhoewel? Voor menig mens nog lange niet. Velen willen wel een mooie zonsondergang zien. Een lekker hapje eten.
Kijk! Daar loopt de man met de hangsnor. Hij loopt nu gearmd met zijn veel jongere vrouw. Haar hoofd rust tegen zijn schouder. Aanhankelijk. Zal het lekker zoenen zijn met zo’n snorremans? Spelen in zo’n onderkoeld machtig gezag uitstralende borstel zaken als soep, bierschuim en snot met elkaar niet het spel van zwaan-kleef-aan? Hij blijft staan. Hij draait een kwartslag, zij ook. Ze zoenen. Ik benijd haar niet.
En houd het voor gezien.