Atom Heart Mother

De koe! In 1970 wist iedere popmuziekliefhebber dat hiermee het album Atom Heart Mother van Pink Floyd werd bedoeld. Bepaald geen muziek om op te swingen maar wel om met je ogen dicht, liggend op je bed naar te luisteren. Ook deed ze het goed op de achtergrond tijdens de filosofisch en psychologisch getinte gesprekken met een vriend die ik had leren kennen bij ‘de kattenbak’. Denk nu vooral niet aan de plek waar de poes gaat zitten poepen, nee, we hebben het hier over catechisatie, een gebruik binnen het protestantse christendom waarmee de jeugd werd voorbereid op het afleggen van de geloofsbelijdenis. Intussen geloofden wij het dus wel. Jean-Paul Sartre die God neerzette als een onbekeken kijker, John Lennon die hem hield voor een concept, Erich Fromm die het godsbeeld waarmee wij werden opgevoed kinderlijk noemde, Jan Wolkers die schreef dat hij van zijn moeder naar de kerk mocht en als hij dan zei dat hij niet ging ineens naar de kerk móest: daar hadden we veel meer oren naar. We gingen voor de andere tijden waarover Bob Dylan zong en net zomin als John Lennon geloofden we in magie, I-ching, Bijbel, Tarot en alles wat hij nog meer opnoemde. We verhieven het hart boven de rede die vooral van onze ouders en leerkrachten kwam.
De eindeloze discussies over deze zaken werden later in studentenhuizen voortgezet. Pink Floyd bleef ons daarbij vergezellen met hun respectievelijk in 1971 en 1972 verschenen albums Meddle en Obscured by clouds. In plaats van spatjes – cola of 7-up met een flinke dot whiskey – dronken we wijn, van die smerige Chianti in mandflessen die vervolgens dienden als kaarsenhouders. De plafonds kleurden zwart van de vele kaarsenwalm en sigarettenrook. Onze kamers waren sowieso donker. De muren waren bruin geverfd en voor de ramen hingen zoveel planten dat zelfs overdag het licht aan moest.
In 1973 zag het album The Dark Side of the Moon het licht. Vanwege een kampeervakantie in Renesse nam ik de elpee op een cassettebandje op, evenals Led Zeppelin IV, de plaat met het legendarische nummer Stairway to Heaven. Zodra we in de tent waren werd de cassetterecorder aangezet, het apparaat draaide overuren. Met het wekkergerinkel en klokgelui van Time in de oren rolden we in slaap. Wreed was het ontwaken als het bandje was afgelopen en de recorder een geluid produceerde dat wel heel erg leek op een eindeloos lange oe van een uil, zonder dat er ooit de hoe van het oehoe op volgde. Soms draaide ik met mijn slaperige hoofd het bandje om en vielen mijn luiken weer dicht bij Stairway to Heaven. Geheid dat die nachtuil zich een half uur later opnieuw aandiende met zijn monotone oe.
Twee jaar later kwam de elpee Darkside of the Moon uit. Mijn huisgenoot en ik maakten er een sport van de zwarte schijven tegelijk op te zetten met de bedoeling ze synchroon te laten lopen, een missie die geen enkele keer slaagde. Ik heb nog een foto van die knul. Daarop houdt hij een koekenpan vast als een gitaar. Als ik aan hem denk ziet hij er nog altijd zo uit als toen. Nooit ouder geworden.
Aan de albums die later verschenen heb ik niet zulke specifieke herinneringen. Ik draai de muziek van Pink Floyd nog altijd graag als ik met teksten bezig ben. En David Gilmour is absoluut een van mijn favoriete gitaristen! Tijdens de vijftigste verjaardag van de Fendo Stratocaster in de Londense Wimbley Arena op 24 september 2004, laat hij het instrument voor zich spreken. Als ik toch eens zo zou kunnen spelen…