Waar kiest een mens voor? Het maken van een keuze
lijkt eenvoudig, maar de consequenties van de keuze zijn niet te
overzien.
Toen mij gevraagd werd of ik over dit thema een lezing
wilde houden kwam een gedachtestroom op gang die mij terugvoerde naar
het eind van de jaren tachtig. Mijn vader had van zijn behandelend
nefroloog te horen gekregen dat hij aan de dialyse moest. De behandeling
en alle bijkomende beperkingen vielen hem dermate zwaar dat hij zijn
hoofd letterlijk en figuurlijk liet hangen. Het leven verloor voor hem
alle aantrekkelijkheid en het werd steeds duidelijker dat het voor hem
allemaal niet meer hoefde. Het jaar daarvoor had ik mijn man verloren
aan longkanker. Het idee om de tot op heden twee meest belangrijke
mannen in mijn leven in zo’n korte tijd allebei te verliezen, was voor
mij ondraaglijk. Omdat ik mijn ouders samen bovendien een goede oude dag
gunde besloot ik, na enig wikken en wegen, mijn vader een van mijn
nieren aan te bieden. Nooit vergeet ik zijn reactie, in tranen: ‘Ach,
kind, wat vind ik dat lief!’ Korte tijd later kwam hij op mijn aanbod
terug. Hij vond het aanbod veel te groot. Hij had al een heel leven
gehad, met vrouw, kinderen, terwijl mijn toekomst aan scherven lag. Het
idee hun schoonzoon te moeten overleven was voor mijn ouders nauwelijks
te aanvaarden omdat het niet paste in de logische ontwikkeling van de
generatieopbouw. Derhalve paste voor mijn vader het idee een nier te
krijgen van een van zijn kinderen ook niet. Hij koos ervoor om te leven
met hemodialyse. Al bij al heeft mijn vader zes jaar gespoeld voordat
hij samen met mijn moeder omkwam bij een verkeersongeluk.
Terugkijkend naar die periode van ziekzijn zie ik
een ontwikkeling waarin mijn vader zijn oude interesses weer opnam. Hij
ging als vanouds met mijn moeder weer geregeld buiten de deur een lekker
hapje eten. Samen met haar maakte hij uitstapjes en ging hij op
vakantie. Uiteindelijk verzorgde hij haar helemaal nadat zij door een
hersenbloeding was getroffen. Het was een ontwikkeling waarin vooral
zijn inzicht steeds breder en zijn hart steeds dieper werd. Het is dus
mijn vader die voor mij het eerste voorbeeld was van wel
getransplanteerd kunnen worden maar niet getransplanteerd willen worden.
Wel kunnen, niet willen
Aan de hand van de gedachten aan mijn vader
schoten mij andere voorbeelden van mensen te binnen waarmee ik gaandeweg in
aanraking ben gekomen en die er niet voor kozen getransplanteerd te
worden, ofschoon dit medisch gezien wel mogelijk was. Omdat velen zich
maar moeilijk kunnen voorstellen dat iemand wel getransplanteerd kan
worden maar dat toch niet wil, geef ik nog enkele voorbeelden.
Men kan zich laten weerhouden door de angst een
nier ingeplant te krijgen van iemand die als negatief wordt ervaren,
bijvoorbeeld een incestpleger.
De hoop dat de eigen nierfunctie zich herstelt kan
eveneens een reden zijn van transplantatie af te zien. Men komt dit
regelmatig tegen bij mensen die geest en lichaam met elkaar in verband
brengen: zo lichaam, zo geest. In het kort gezegd gaan zij ervan uit dat
als zij er eenmaal in geslaagd zijn hun geest gezond te krijgen, het
lichaam vanzelf, dus vanuit diens zelf, gezond zal worden.
Wanneer een patiënt eenmaal een bepaald evenwicht
heeft gevonden met dialyse of daaraan zelfs in bepaalde zin bevrediging
ervaart, hierbij kan gedacht worden aan sociale contacten of het lekker
verzorgd worden, wordt de mogelijkheid van transplantatie ook bij
herhaling van de hand gewezen.
Het komt ook voor dat men het eigenbelang als
ondergeschikt ziet aan dat van een ander: bijvoorbeeld de oudere patiënt
die van mening is dat eerst alle kinderen geholpen moeten worden.
Eigen ervaringen met overlijden, waarbij het voor
de nabestaanden heel belangrijk was aanwezig te zijn bij de laatste
ademtocht van de stervende, kunnen eveneens reden zijn zelf niet voor
transplantatie te kiezen. Ik denk hierbij aan een moeder die bij al haar
pijn en verdriet om het verlies van haar dochter, troost en kracht putte
uit het feit dat het kind vredig in haar armen was gestorven.
Een eerdere negatieve ervaring met transplantatie
kan ook de drijfveer zijn zich niet opnieuw op de lijst te laten zetten
bij Eurotransplant of om er in ieder geval voorlopig maar vanaf te zien.
Over dialyserenden heb ik wel eens horen zeggen
dat zij de groep vormen waarbij de meeste weerstand aanwezig is als de
medicus een bepaald onderzoek voorstelt. Persoonlijk lijkt het mij
aannemelijk dat dit samenhangt met het feit dat dialyserenden al zo veel
gedoe aan hun lijf hebben en daarom zo veel mogelijk afhouden wat niet
perse noodzakelijk is.
In het boek ‘Hologrammen van angst’ geschreven
door Slavenka Drakulic, ondergaat de ikfiguur een niertransplantatie. De
angst die in dit boek tot uitdrukking komt is enorm. Een angst die
gedreven wordt door jarenlange confrontatie met apparaten, slangen,
prikken, bloed en bloedverlies.
In onze maatschappij wordt negatief gereageerd op
angst. Toch zeg ik altijd: wie geen angst kent wordt niet ouder dan
vier. Naar je angst luisteren is iets anders dan je er compleet door
laten leiden. Angst brengt je ertoe voorzichtig met jezelf te zijn. En
ook dat is iets anders dan je door angst laten verlammen. Er kan tijd
voor nodig zijn om ergens naartoe te groeien. Soms is daar hulp,
begeleiding bij nodig. Wanneer iemand voor zichzelf duidelijk heeft dat
hij nog niet toe is aan een niertransplantatie, kan dat doorslaggevend
zijn om er, althans de eerstkomende tijd, van af te zien.
De bijbelse Prediker ging er al vanuit dat alles
zijn tijd heeft. Dat er een tijd is om te baren en een tijd om te
sterven, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, een tijd
om te rouwen en een tijd om te dansen. Ook de wijsgeer Paracelsus verwoordde reeds lang
geleden dat een ieder die zich verbeeldt dat alle vruchten op dezelfde
tijd tot rijping komen als aardbeien, niets weet van druiven.
Voor alles is een tijd
Dat maakte wijlen Bart de Graaff destijds kort voordat hij
getransplanteerd werd nog duidelijk in een interview met Televizier. Hij
vertelde dat hij enkele jaren eerder ook getransplanteerd had kunnen
worden maar op dat moment nee had gezegd omdat hij geen zin had wéér
geopereerd te worden en bovendien net bezig was een beetje carrière te
maken.

Mijn bevinding tot op heden is dat de bewuste keus
zich (voorlopig) niet te laten transplanteren, voor de patiënt zelf een
grote rol speelt bij de integratie van de dialysebehandeling en alle
bijkomende beperkingen in het dagelijks leven. Vaak wordt, als het maar
enigszins kan, nog van alles ondernomen, variërend van uitjes tot
vakanties, van klussen in huis tot bezig zijn met hobby’s, bezoek aan
zwembad of sauna.
In geval er een partner aanwezig is en deze in de
besluitvorming is betrokken zodat er sprake is van een gezamenlijke
keus, zal het beeld overeenkomen met het zojuist geschetste. De bekende
uitdrukking ‘gedeelde vreugd is dubbele vreugd en gedeelde smart is
halve smart’ kan zo tot z’n recht komen. Is de partner echter gepasseerd
dan komen er geheel andere zaken aan de orde. Ik kom hier later op
terug.
Niet kunnen, wel willen
Veel vaker dan wel getransplanteerd kunnen worden en dit niet willen,
komt het omgekeerde voor: niet getransplanteerd kunnen worden en dit
juist dolgraag willen.
Het is nagenoeg altijd zo dat iemand op medische
gronden niet voor transplantatie in aanmerking komt. Maar ik wil
speciaal stilstaan bij diegenen die de weg naar een donornier
gebarricadeerd zien door een maatschappelijke factor: de reële
mogelijkheid om weer arbeidsgeschikt te worden verklaard terwijl het zo
goed als uitgesloten is nog ooit een plek in het arbeidsproces te
krijgen. Redenen kunnen zijn: leeftijd, gebrek aan ervaring na
herscholing, te lang uit het eigen vak, angst bij de werkgever voor
ziekteverzuim, het eventuele inkomensverlies, en zo meer. De huidige
sociale wetgeving heeft ertoe geleid dat mensen zich gedwongen voelen
tot een levenslange dialysebehandeling. Ik realiseer me zeer wel dat
iemand in een dergelijke situatie nog altijd de mogelijkheid heeft om te
zeggen: liever het risico lopen in de bijstand te belanden dan de
absolute zekerheid hebben voor eens en altijd aan de dialyse te moeten.
Het zou een maatschappelijke keus moeten zijn door ziekte getroffen
mensen niet voor een dergelijk zware keus te plaatsen.
Wanneer iemand hetzij als gevolg van de zojuist
genoemde maatschappelijke factor, hetzij op medische gronden, niet in
aanmerking kan komen voor niertransplantatie, levert dat het gevoel op
voor een gesloten deur te staan. “Zijn beste tijd komt nog’, lonkt een
advertentie op de achterpagina van het blad Wisselwerking: voor degenen
die wel getransplanteerd willen worden, maar niet kunnen, is die deur
wel dicht. De zoveelste verlieservaring. Een droom die voorgoed verloren
gaat. Daarvoor in de plaats het gevoel afgeschreven te zijn. Een gevoel
dat niet alleen versterkt wordt door maatschappelijke beeldvorming maar
ook door de uitholling van het sociale verzekeringsstelsel.
Ook de eventueel aanwezige partner en overige
naaststaanden maken in dit geval een verlieservaring door. Ik zeg
altijd: als partner of andere zeer nauwbetrokkene, ben je in zekere zin
mee ziek.
Partners die het gevoel hebben niet gekend te zijn
in de door hun man of vrouw gemaakte keus zich niet te laten
transplanteren, hebben eveneens te maken met een verlieservaring. Zij
blijven geconfronteerd met een dialysepatiënt, terwijl dat naar hun
mening niet perse noodzakelijk zou hoeven te zijn.
Rouw
Bij confrontatie met verlies hoort rouw. In onze maatschappij bestaat
daar niet veel ruimte voor. Na een half jaar wordt de behoefte nog over
een verlieservaring te willen spreken, door menigeen al als gezeur
beschouwd. Je moet flink zijn, blij zijn omdat je nog leeft, omdat de
zon schijnt en iedereen zo zijn best voor je doet. Je wordt afgescheept,
verlaten.
Patiënten en ook hun partners en andere
naaststaanden, richten zich vaak naar zojuist bedoelde norm. Daarmee
schepen ze zichzelf ook af en verlaten ze zichzelf evenzeer. Zo wordt
een verlieservaring meer dan eenzaam. Elisabeth Kübler Ross en Robert
Kavanaugh hebben zich onafhankelijk van elkaar zeer intensief
beziggehouden met de reacties die mensen vertonen bij een groot verlies.
Zij stellen dat zich in rouw- en stervensprocessen verschillende fasen
voordoen en spreken dan ook over rouwfasen. Deze fasen, waarvoor ik zelf
liever het woord aspecten gebruik, doen zich niet altijd in een bepaalde
volgorde voor. Zij kunnen elkaar bovendien overlappen en zich tevens
meermaals herhalen. Het komt vaak voor dat het ene aspect veel meer
nadruk krijgt dan het andere. Ook kan het gebeuren dat een van de
aspecten zich totaal niet voordoet.
U, die allen te maken heeft met ziekte, zal de
meeste dan wel alle aspecten herkennen. Ik zet ze voor u op een rij.
Allereerst is er het aspect van onrust en
onzekerheid, met vage en bange vermoedens. Zullen mijn nieren niet meer
goed werken? Zal ik aan die machine moeten of aan die zakken? Zal ik dat
allemaal wel doorstaan? Als eenmaal duidelijk is hoe de zaken ervoor
staan en het besef daarvan doordringt, treedt het aspect van ontkenning
en afwijzing in werking. Nee, nee, dit kan niet waar zijn!
Daarna kan het aspect volgen waarin woede,
jaloezie, schuldgevoelens en machteloosheid tot uiting komen. Waarom
moet míj dit overkomen? Waarom nú, ik heb nog zoveel te doen! Voor mij
hoeft het niet meer, mijn leven stelt op die manier niets meer voor! Een
worsteling met schuldgevoelens is hier vaak aan inherent. Wat heb ik
verkeerd gedaan? Ten opzichte van anderen kunnen er zowel direct als
indirect verwijten komen. Als mijn huisarts mij beter had onderzocht was
mijn nierfunctie zeker behouden gebleven. Als jij je eens wat meer voor
mij had opengesteld zou ik er nu wel anders aan toe zijn.
Een ander aspect dat we vaak tegenkomen bestaat
uit marchanderen, het er vanaf willen komen. Als ik nou eens naar
professor X ga, die kan mij vast verder helpen. Als ik voortaan iedere
week naar de kerk ga zal God er wel voor zorgen dat ik weer beter word.
Als ik al die tabletten die ik moet slikken nou gewoon eens niet meer
inneem en van nu af aan heel gezond eet en veel beweeg, zal mijn lijf
daar zeker beter van worden.
Het aspect van diep in de put raken, vol zijn van
verdriet en zich hopeloos verlaten voelen, is nauwelijks onontkoombaar.
Daarbij laten eerdere verlieservaringen zich doorgaans opnieuw in alle
hevigheid gevoelen.
Aanvaarding
Het laatste aspect dat valt te onderscheiden is dat van verwerking,
aanvaarding en integratie. Hierbij wordt de situatie onder ogen gezien,
het is zoals het is, en daar wordt verantwoordelijkheid voor genomen. In
plaats van nee wordt er ja tegen de verlieservaring gezegd. Het is het
lijden toe-eigenen, het als het ware omarmen. Het is niet mijn wil maar
uw wil geschiede omdat mijn wil uw wil is. Het heeft alles te maken met
overgave, met de bereidheid het leven te leven in al zijn facetten. Hier
wordt het lijden betekenisvol. En kan het zelfs een verbinding krijgen
met vreugde. Een voorbeeld hiervan dat mij persoonlijk diep ontroert is
gegeven door Etty Hillesum, een joodse vrouw die het concentratiekamp
niet heeft overleefd. Overgeleverd aan alle gruwelen van de oorlog,
stelt ze: ‘Waarom mag ik niet ook in de hemel leven? De hemel is er
toch? Maar eigenlijk is het veel eerder zo: de hemel leeft in mij.’ En
dat maakt ze zichtbaar, voor de volle honderd procent. Opgesloten in de
barakken van het concentratiekamp, onderworpen aan ondervoeding en
mishandeling, helpt ze haar lotgenoten waar ze maar kan. Ze verzorgt
mensen, praat met hen, heeft voor iedereen een goed woord. De prachtige
titel van een van de boeken van de reeds eerder genoemde Elisabeth
Kübler Ross, ‘Leven tot we afscheid nemen’, maakte ze helemaal waar.

Altijd een keus
Leven tot we afscheid nemen. Dat is een keus. Ik hoor vaak van mensen
dat ze geen keus hebben. Ik moet geopereerd worden, ik heb geen keus. Ik
zit levenslang aan de dialyse, ik kan niet getransplanteerd worden, ik
heb geen keus. Om eerlijk te zijn: ik deel die mening niet. Een mens
heeft altijd een keus. Je kan nee zeggen tegen een operatie. Je kan ook
nee zeggen tegen een behandeling. Ja, maar… dat is toch geen keus, dan
ga je toch dood? Het idee om de dood in je keuze te betrekken, roept op
zijn minst weerzin op.
In het boekje ‘Leunen op jezelf’, geschreven door
Rien Jacobs, wordt beschreven hoe Sjefke, kort nadat hij hals over kop
aan de dialysebehandeling had gemoeten, sterk in de sfeer van de dood
verkeerde en daarom bijna dagelijks ging wandelen op het kerkhof. Hij
had het gevoel dat het echte leven voor hem voorbij was nu hij
kunstmatig in leven gehouden werd met almaar spoelen en een duivels
dieet. Op het kerkhof leek het hem goed rusten. Toen het spoelen na
enkele maanden steeds beter bleek te gaan en het dieet op eigen
initiatief stiekem wat vriendelijker werd gemaakt, verschenen de eerste
lichtpuntjes aan Sjefkes donkere horizon. En juist omdat hij zich zo
vertrouwd had gemaakt met Broeder Dood, ging hij iedere dag die hem
geschonken werd meer waarderen. Hij begon, bevrijd nu van het
maatschappelijke keurslijf, pas echt onbezorgd te leven. Temidden van al
het lawaai van de voortrazende, vaak bedreigende wereld, ontdekte hij de
stille schoonheid van een bloem of een boom, van een witte wolkenveer in
de lucht, de rustige wiekslag van een reiger. Hij leerde genieten van
een gedicht, een akkoord, een zangstem. Meer dan ooit tevoren nam hij
deel aan het échte leven dat door hem als zijn tweede kans, zijn
reïncarnatie werd beschouwd. Mogelijk door de ontwikkeling in de
medische wetenschap, maar ook door zijn eigen keus.
Een van de dialysepatiënten aan wie ik het verhaal
van Sjefke eens vertelde, reageerde vol afgrijzen: ‘Wat eng, aldoor naar
het kerkhof!’ Een gevleugelde uitspraak van Elisabeth Kübler Ross luidt:
‘Zij die de dood leren kennen in plaats van hem te vrezen en ertegen te
vechten, worden onze leermeesters inzake het leven.’ Met zijn verhalen
over Sjefke werd dit door Rien Jacobs geïllustreerd.
Een verlieservaring brengt je in contact met de
dood, omdat er door een verlieservaring iets in jóu sterft. Er is geen
leven zonder dood. De dood meenemen in je beslissing leidt tot de
uitspraak: ‘Ik laat me opereren omdat ik nog dolgraag wil leven’ in
plaats van het doodslaande: ‘Ik moet geopereerd worden want ik heb geen
keus.’ Daarmee bedoel ik natuurlijk niet te zeggen dat een mens maar
meteen ‘hoera’ moet roepen als hij onder het mes moet. Het hoort erbij
om bang te zijn voor een operatie, om kwaad te zijn en te huilen omdat
jou of jouw dierbare dat overkomt.
Door de rouw om het verlies aan te gaan, kies je
voor het leven. Want als je werkelijk rouwt, volgt onherroepelijk het
moment van acceptatie en integratie, van ja zeggen tegen wat is.
Ik citeer nogmaals Elisabeth Kübler Ross: ‘Als
angst, boosheid en verdriet niet geuit mogen worden, kan de liefde niet
zijn.’ Als angst, boosheid en verdriet geblokkeerd zijn, maken zij het
de liefde onmogelijk zich te tonen. Ik gaf al eerder aan dat in onze
maatschappij nauwelijks ruimte is voor rouw. Onder meer daardoor toont
onze maatschappij zich vaak zo liefdeloos voor hen die geslagen worden
door verlieservaringen. Onder meer daardoor is kiezen voor kwaliteit van
leven in plaats van kwantiteit van leven, te vaak nog onbespreekbaar.
Het is een eigen keus om daar wel of niet aan mee te doen.
Solo
Bewust kiezen is belangrijk voor ons ego. Het verbindt ons met het
gevoel niet volkomen stuurloos te zijn. Om een keus te maken is wil
nodig. Met je wil kan je sturen, niet afdwingen. Vergelijk de bekwame
vlieger die de stuurknuppel wel naar zijn hand kan zetten, maar de
weersomstandigheden niet. We hebben al gezien dat het degenen die een
heel bewuste keus maken om niet getransplanteerd te worden terwijl dit
wel kan, levensvreugde oplevert.
Ik kom nog even terug op de zojuist door mij
gebruikte metafoor van de bekwame vlieger die de stuurknuppel wel naar
zijn hand kan zetten, maar de weersomstandigheden niet. Sommige vliegers
hebben een copiloot. Die maken dus een gezamenlijke vlucht, net als
patiënten die een partner rijk zijn. En er zijn vliegers die solo gaan,
net als alleenstaanden.
Alleenstaanden hebben het voordeel dat ze hun
eigen koers kunnen varen en het nadeel dat ze er alleen voor staan.
‘Ach, ze hebben toch ook familie en vrienden’, wordt er vaak gezegd,
maar let eens op: hoeveel aandacht is er tot op heden in de literatuur
of op themadagen voor nierpatiënten geweest voor de specifieke
problematiek van alleenstaande dialyserenden en getransplanteerden? De
realiteit komt er vaak op neer dat niemand hun belangen werkelijk deelt.
Dat kan, als het erop aankomt, een gevoel geven van grondeloze
verlatenheid. Ik hoor dialyserenden geregeld zeggen: ‘Ik doe het voor
mijn partner en voor mijn kinderen.’ Voor een alleenstaande geldt dat
hij zichzelf tot vaderland moet zijn. Toch zou het niet verkeerd zijn
als gehuwden dit ook veel meer leerden. Allemaal kwesties van keuzes
maken.
Het zojuist genoemde gevoel van grondeloze
verlatenheid kunnen we ook terugzien bij nauw op elkaar betrokken mensen
die naar aanleiding van een verlieservaring, in verschillende rouwfasen
verkeren. Er heerst dan een klimaat vol spanning waarbij een goede
onweersbui de lucht kan klaren. Een groot probleem is echter dat de
meesten van ons niet geleerd hebben om goed ruzie te maken. Boos
weglopen, hard met deuren smijten, zeggen dat de ander een ellendeling
is die altijd zijn zin moet hebben, verongelijkt het zwijgen ertoe doen
en de irritatie voor het eerste uurtje wegknuffelen, is allemaal zo
moeilijk niet. Maar het zo te laten knetteren dat de behoefte ontstaat
om wérkelijk tot elkaar te komen in het conflict, is een ander verhaal,
waarin het erom gaat dat beide partijen uit hun trots stappen en dat
blauw bijvoorbeeld niet blauw hoeft te blijven en geel niet geel, maar
dat er samen groen kan worden gemaakt. Ook hier is sprake van een keuze.
Waar kiest een mens voor?
Ton Bergman schreef het volgende gedichtje bij de geboorte van zijn
zoon: Liedje voor je leven
Ik hoop, dat je wel eens bang zult zijn
Ik hoop, dat je wel eens zult huilen
Ik hoop, dat je wel eens vallen zult
En vol zitten met builen.
Ik hoop, dat je wel eens ziek zult zijn
Ik hoop, dat ze je wel eens zullen jennen
want zonder die ervaring, mijn kind,
zul je echte mensen nooit herkennen.
Deze letterlijke weergave is zowel
verschenen in het blad Wisselwerking, een uitgave van de
Nierpatiëntenvereniging LVD, Nr. 6/december 1996, als zowel
Nederlandstalig als Franstalig in het blad Horizon, een uitgave van de
Belgische Nierpatiëntenvereniging, Nr. 64 – 1997.
Lieneke Koornstra maakt veel indruk met haar privé-
en werkervaringen op het terrein van nierziekten. Ze toont een grote
betrokkenheid, zodat je zou denken dat ze zelf nierpatiënt is, maar dan
zonder de ontkenning van bepaalde omstandigheden die soms kenmerkend is
voor een nierpatiënt.
Impressie van Sylvia van der Boom
Verslaggeefster
Themadag ‘Transplanteren of niet, een vrije keuze?’ In het blad
Wisselwerking, Nr. 5/oktober 1996.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zie ook:
artikel: