|
|
Door Lieneke Koornstra .
Net zoals
'vrede', 'geluk' en 'gezondheid' roept het woord 'thuiskomen' positieve
gevoelens op. Thuis is een plaats die vertrouwd is, waar je elkaar kunt vertrouwen, waar je je
comfortabel voelt, veilig en op je gemak. Er zijn diverse thuisbases te onderscheiden: het lichamelijk thuis, het
ouderlijk thuis, het huiselijk thuis, het plaatsvervangend thuis, het geestelijk thuis en het eeuwig thuis. Arts en
filosoof Wim Dekkers pleit voor het belang van toegewijde aandacht in de palliatieve zorg op het gebied van al
die thuisplaatsen. In dit artikel een verkenning van de diverse thuisbases.
Het
lichamelijk thuis
Ons lichaam is de eerste situatie
waarin we ons zelf aantreffen, waarin we vooral thuis (zouden moeten)
zijn. (Wim Dekkers)
Een mens is, heeft en beleeft het eigen lichaam. Het zijn van een lichaam
houdt een gebondenheid in. Als gevolg van de huidige geneeskunst kunnen allerlei lichaamsdelen vervangen
worden, maar het lichaam op zich is een vast gegeven, ondanks alle veranderlijkheid die erin op kan treden.
Als het lichaam de geest geeft, houdt het leven hierin op. Het hebben van een lichaam houdt een zorg voor
dit lichaam in: het moet zowel beweging als rust krijgen, gevoed en gelaafd worden, en in geval van
ziekte of ongeval van medische en verpleegkundige zorg voorzien. Goede zorg voor het lichaam is in eerste
instantie gericht op lijfelijk behoud en dus op herstel. Is genezing niet meer mogelijk dan wordt in plaats van
curatief palliatief behandelen noodzakelijk, zodat pijn en symptomen zo optimaal mogelijk worden
bestreden. Bij het beleven van het eigen lichaam kan gedacht worden aan het voelende
en het gevoelde lichaam, maar ook aan de manier waarop het wordt beschouwd. Het voelende lichaam ervaart
tederheid, warmte, kou, jeuk, pijn, enz. Het gevoelde lichaam manifesteert zich aan de ander in de vorm
van een handdruk, een streling, een klap, enz. Het beschouwde lichaam weet zich bekeken met een
objectiverende of een subjectiverende blik, een affectieve of een dodelijke.
Over
het lichaam zegt Martin Heidegger: ‘Zoals een god in zijn tempel, zo
wordt een mens in zijn lichaam vertegenwoordigd.’ Door menigeen wordt het lichaam eerder als een
lastdier dan als een tempel beschouwd. Terwijl het lichaam onvervreemdbaar is, wordt het nauwelijks herkend door
degene van wie het is, gegeven de dikwijls gehoorde reacties wanneer iemand zichzelf op de video ziet:
‘Ben ík dat?!’ Het wordt geluidloos gepasseerd: iemand stoot zich zonder het te merken. Zo wordt het lichaam
een leeg huis. En een leeg huis kan worden gekraakt.
Veel mensen leven uitsluitend in hun hoofd. Zijn daardoor ook uit balans.
Zij laten zich niet meer richten door de geest maar door het verstand. Gevoelens worden ingehouden waardoor de
energie van die gevoelens in het lichaam komt vast te zitten. Een dubbele belasting voor het lichaam. En
intussen is de geest zoek. Hele volksstammen generen zich voor het eigen lichaam: pukkels, flaporen,
spaghettiharen, dikke billen, ouderdomsrimpels, enz. Dit komt doordat doorgaans met een scherpe,
afpakkende, objectiverende blik naar lijf en leden gekeken wordt. Daar wordt een mens lelijk van. ‘Alleen
met je hart kan je goed zien, het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar’, stelt Antoine de
Saint-Exupery. Kijkend met het hart, ontstaat vanzelf de blik die mild is, affectief, samenvoegend, ont-moetend en
verbinding houdend. Ziende met deze blik kunnen de woorden tastbaar worden die Williams in haar kinderboek
‘Het Fluwelen Konijn’ laat spreken door het Leren Paard, ter beantwoording van de vraag ‘Wat is echt?’:
‘In het algemeen ben je tegen de tijd dat je ECHT wordt, meestal kaal geknuffeld, en je ogen zijn eruit gevallen
en je poten bengelen erbij en je ziet er haveloos uit. Maar dat geeft allemaal niets, want als je eenmaal
ECHT bent, ben je niet lelijk meer, behalve voor mensen die het niet begrijpen.’ Zo kan aan andere vormen
van schoonheid worden toegekomen, waarin het lichaam uitnodigend kan zijn als een tempel.
Het
ouderlijk thuis
Bewustzijn van het huis van herkomst betekent het eren van de
eigen wortels en het ervaren van een onlosmakelijke, waardevolle verbinding (Wibe Veenbaas & Joke
Goudswaard).
Zowel in de genen als in de horoscopen van mensen uit eenzelfde familie
zijn veel overeenkomsten te onderscheiden. Familiebanden kunnen weliswaar verbroken worden, toch
blijft de diepe verbinding altijd aanwezig. Met kerstmis, maar vooral aan het sterfbed is de behoefte aan
verzoening met de eigen bloedverwanten dikwijls onmiskenbaar. Steeds vaker houden mensen zich
bezig met genealogie, op zoek naar hun wortels. Ook binnen de westerse traditie wordt het meer gebruikelijk
om belang toe te kennen aan de betekenis van een eigen plek binnen de generaties van het eigen
familiesysteem. Eveneens wordt aan het ervaren van verbinding met het land waar eigen voorouders vandaan komen en
het volk waar de familie deel van uitmaakt, meer waarde toegekend.
'Het is een wereld aan de overkant, een wereld met geheime
namen. Een land van herkomst dat mijn
thuisland wordt, nu ik het dichterbij haal. Eén stap slechts' (Wibe
Veenbaas & Joke Goudswaard).
Als het moment van de eeuwige oversteek nadert, blijft die stap zelden uit en kan
een brug geslagen worden. Oud zeer wordt daarmee niet ongedaan gemaakt, maar er komt een nieuwe ervaring
overheen van wederzijdse erkenning en wezenlijke rechtzetting. Het gaat hierbij om de bevinding dat
mensen in hun verwantschap met elkaar niet alleen hun oorsprong hebben, maar dat ze ook de vervulling van
en zegen voor hun menszijn daarin vinden.
Het
huiselijk thuis
Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.
Vossen hebben holen, vogels nesten en mensen huizen. In de zin van een
woning hebben betekent thuis: ‘….je eigen onvervreemdbaar bedoeninkje hebben; je eigen leefritme aan kunnen
houden, al dan niet met huisgenoten; je eigen dagorde kunnen vaststellen of naar behoefte in
onderling overleg ’s morgens aan de ontbijttafel kunnen wijzigen; allemaal
dingen om je heen hebben om van je
huis een echt thuis te maken; een eigen huisdeur met bel hebben, waardoor je naar believen mensen kunt
binnenlaten of op de stoep laten staan. Kortom: privacy en intimiteit’ (Jos Niessen). Het is een plek
‘zoals er maar eentje bestaat, met een bordje beneden de bel, waar je kunt lezen: dit is ons huis, hier wonen
wij, dit is de hemel’ (Herman van Veen).
Thuis is de plek waar je bed staat, waar je vrijt en misschien ook
sterft. Voor veel mensen die aan een terminale ziekte lijden, geldt de mogelijkheid om thuis te sterven als
laatste wens.
|
|
|
|
Het
plaatsvervangend thuis
Zomaar een dak boven wat hoofden (Jos Niessen).
Opname en een verblijf in een tehuis betekenen voor degenen die het
overkomt een radicale overgang naar een nieuwe leefwijze. Het leefadres moet met vele anderen worden gedeeld,
die bovendien niet zelf zijn uitgezocht. Het enige wat hen bindt is bijvoorbeeld de
verpleegbehoeftigheid, de ouderdom of een specifiek ziektebeeld. ‘Men komt er pas terecht als werkelijk elke mogelijkheid
elders uitgesloten is.’ Het gebrek aan privacy is schrijnend: ‘Ik ben nu vier maanden hier en al die tijd ben
ik nog geen minuut alleen geweest en juist daar heb ik zo’n behoefte aan.’ Het gevoel aan een inktvissig
systeem te zijn overgeleverd is benauwend: ‘Het lijkt een soort machtsblok van personen die niets uit
zichzelf doen, maar alles namens de instelling. Ze zijn aan tal van regels en bepalingen gebonden. En als ze
zich daar strikt aan houden, zijn ze daarop persoonlijk niet aanspreekbaar. Tegenover ons vallen zij elkaar
nooit af, maar dekken elkaar onderling’ (Niessen). Speciaal voor mensen die in een huiselijke omgeving willen sterven terwijl
dat in het eigen huis niet meer kan, zijn er hospices in leven geroepen. De oorspronkelijke thuissituatie
wordt hier zo goed mogelijk benaderd waarbij de wensen en ideeën van de stervenden en hun direct
betrokkenen steeds dienen als uitgangspunt. Zowel met het oog daarop als
om reden dat vanuit deze plek de oversteek gemaakt wordt naar het eeuwig thuis, is in dezen ook wel sprake van bijna-thuis-huizen.
Het
geestelijk thuis
Waarom mag ik niet ook in de hemel leven? De
hemel is er toch? Maar eigenlijk is het veel eerder zo: de hemel leeft in mij (Etty Hillesum).
Het leven levert ervaringen op waar mensen de zin van willen weten.
Betekenisgeving in religieuze en spirituele zin biedt menig mens een bevredigend antwoord. Aan de
zinloosheid van het al wil slechts een enkeling geloven. ‘Zelfs in de schaduw van de gaskamer gaf ik mijn
overtuiging niet op dat het leven onder alle omstandigheden zinvol is. Want of het leven heeft zin en dan moet het
zijn zin behouden. Of het leven heeft geen zin en dan zou het ook geen zin hebben nog jaren aan dit leven
toe te voegen. En zelfs een leven dat altijd zinloos is geweest, of als verknoeid beleefd werd, kan nog een
zin krijgen door de wijze waarop we deze situatie aanpakken. Door het inzicht dat je je leven tot nu toe als
zinloos ervaart, kun je boven jezelf uitstijgen en je leven met terugwerkende kracht betekenis geven’ (Viktor
Frankl).
Zingeving biedt een thuis waar de geest inspireert. Geestelijke verzorging
waarbij niet de dogma’s maar de mens in ere wordt gehouden, opent de deuren naar een tastbare hemel waar
je altijd welkom bent. ‘Kom, kom! Wie je ook bent, wat je ook presteert, kom! Ons bedehuis is geen
plaats van wanhoop, kom! Zelfs als je je belofte honderd maal niet hebt waargemaakt, kom dan weer!’ (Mevlana).
|
|
|
Het
eeuwig thuis
Want leven en dood zijn een, zoals de rivier en de zee een zijn (Kahlil
Gibran).
Veel (levens)problemen zijn gebaseerd op de illusie dat tegenstellingen
gescheiden kunnen en moeten worden. In het Thomas-evangelie antwoordt Jezus van Nazareth op de vraag hoe in te
gaan in het hemelse koninkrijk: ‘Als gij de twee één maakt, en als gij het binnenste maakt als het
buitenste, en het hoge als het lage, en als gij het mannelijke en het vrouwelijke maakt tot één enkele, dan zult gij
ingaan tot het Koninkrijk.’ Op deze wijze beschouwd is de Hemel niet een staat van alleen positieven en geen
negatieven, maar een staat waarin de hoogste realiteit een eenheid van tegenstellingen is. Leven en dood
zijn dan één, zoals de rivier en de zee één zijn. Het huis van oorsprong, dat verder reikt dan het huis van de
familiewortels, vormt daarmee tevens het eeuwig thuis. De meermaals gebruikte tekst op rouwkaarten dat iemand
eindelijk thuisgekomen is, herinnert daaraan, evenals het Engelse gezegde ‘You have to leave home
to find your home.’ Het is het huis dat soms duidelijk wordt weerspiegeld in de blik van een pasgeborene of
een stervende, een blik die tot achter de sterren reikt. De terminaal zieke kan naar dit huis uitzien als
naar het huis van rust. Door menig mens wordt dit huis beschouwd als het huis van hereniging met alle
dierbare doden. Voor de Jood, de
Christen en de Moslim is dit tevens het huis van de Schepper, de Vader. Het
bijbelse Boek van de Openbaring van Johannes bericht daarover het volgende: ‘…en God zelf zal bij hen zijn,
en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw.’ Het woord
overlijden wijst in wezen hier ook naar in de zin van over het lijden heen zijn, als uitverkoren bestemming voor ieder.
Dit huis leefde vast ook in de gedachten van Elisabeth Kübler-Ross, toen zij als titel voor het allereerste EKR-blad
‘Shianti Nilaya’, huis van vrede, bedacht.
Dit
artikel verscheen eerder in het ‘EKR Magazine’, een uitgave van de
Stichting Dr. Elisabeth Kübler-Ross (4/2004)
terug naar boven |
|