|
|
Door Lieneke Koornstra .
Diep gelukkig zijn kun je niet dromen: je bént het met heel je wezen,
op dat ene, eenvoudige moment.
Bij het
station in Leeuwarden prijkte in mijn tienertijd een grote reclameposter
waarmee het gebruik van briefkaarten werd gepromoot. Met een vriendin vulde ik in koeien van
letters onze namen en adressen op de reuzenbriefkaart in, er hetzelfde moment al van dromend dat twee toffe
gozers zouden reageren. Iedere keer als ik uit school kwam ging ik meteen kijken of de postduif voor mij
gevlogen had. Nee dus. Uiteindelijk kwam er toch een reactie, uit onverwachte hoek. Een collega van mijn vader
had de betreffende poster gesignaleerd. Gevolg: in plaats van een betoverende brief van een
droomknul, wachtte mij een forse uitbrander van een ontstemde pa.
Het
leven helpt ons wel vaker uit de droom. We zakken slechts op één puntje,
we missen net die ene afslag, we staan precies in de verkeerde rij. We krijgen te horen dat we
ongeneeslijk ziek zijn of dat een van onze dierbaren dat is. Enkele straten verderop rijdt een paar auto's op elkaar
in. Ergens anders stort een vliegtuig neer. Nog ergens anders woedt een oorlog. En nog weer ergens anders
teistert een cycloon het land.
Dat
ik dát nog méé moet maken
Als medisch maatschappelijk werker kreeg ik ooit te maken met een vrouw
van 83, die een lichte beroerte had gehad. Haar hele leven lang was ze goed gezond geweest, ze had nooit
eerder gedokterd, laat staan in een ziekenhuis gelegen. Dat zelfde gold haar 87-jarige man. Het echtpaar wist
zich omringd door enkele eveneens goed gezonde kinderen, die keurig netjes en gelukkig getrouwd waren en
uitstekende banen hadden. Met de kleinkinderen was het idem dito gesteld. De prognose was goed: mevrouw zou
voor een maand of twee ter revalidatie naar een verpleeghuis moeten en daarna weer terug kunnen naar
huis. Toen ik mevrouw bezocht toonde ze zich buitengewoon ontstemd: dat ze dát op háár leeftijd nog méé
moest maken! Ik stond perplex. Het blijft natuurlijk erg om je gezondheid te verliezen en naar een
verpleeghuis te moeten, ook als je 83 bent. Maar om dan te zeggen: 'Dat ik dát op míjn leeftijd nog méé moet
maken!' ? Ik kwam juist bij een jonge kerel vandaan, begin twintig, leukemie, slechte prognose. Ik liet de
boosheid van de vrouw over me heen komen. 'Ik heb haar wat laten ventileren', schreef ik in mijn rapportage.
'Zij heeft niets geleerd van het leven', gaf ik mijn collega te verstaan. 'Ze is domstom gebleven met al haar
geluk.' Op het moment dat ik het zei merkte ik dat ik óók boos was. Omdat het er in het leven vaak verdraaid
onrechtvaardig aan toe gaat. Ieder huisje mag dan wel z'n kruisje hebben, maar het ene kruis is heel wat
groter, zwaarder en bedreigender dan het andere. Er zijn zelfs huisjes die instorten als gevolg van die enorme
last.
Na 83
jaar had de vrouw in kwestie voor het eerst in haar leven bewust het
gevoel uit het paradijs te zijn verdreven. Voorheen was ze zich slechts van één kant van het leven bewust
geweest: de zonkant, waar geen duisternis is, geen falen, geen verlies, geen pijn, geen dood. Voor de
andere kant had ze geen oog gehad. Terwijl ze, gezien haar leeftijd, toch twee oorlogen mee moet hebben
gemaakt. En het journaal zal haar huiskamer toch ook wel hebben bereikt.
De
vier fasen in de psychosynthese
In
de psychosynthese (een psychologische benadering van de mens die ervan
uitgaat dat de behoefte aan hogere waarden en een spiritueel leven even reëel zijn als de biologische
en sociale behoeften) wordt gesteld dat de mens steeds weer opnieuw vier fasen doorloopt, waarbij het gebeuren
kan dat iemand heel lang in een bepaalde fase verkeert. De eerste is die van de symbiotische eenheid, die
aan de geborgenheid in zowel de baarmoeder als de Hof van Eden herinnert. De tweede is die van het
verdreven worden uit die gelukzalige geborgenheid, waarbij de mens zich afgescheiden weet en verraden voelt. De
mens ervaart zich in deze fase als slachtoffer of zondebok en ziet geen enkele uitkomst. Evenwel ontluikt
juist in deze fase, waarin de mens als het ware in zichzelf sterft, de wil om voor het leven te kiezen, het
leven met de wond. In de derde fase komt de mens tot een hernieuwd bewustzijn, tot verlichting. De pijnlijke
ervaring wordt niet meer alleen als negatief beschouwd. Illustratief hiervoor is een uitspraak van Rintje
Ritsma: 'Ik weet nu wat verliezen is en dat heb je nodig om te kunnen winnen.' Vloek en zegen kunnen zelfs als één
worden beleefd, getuige een uitspraak van een dialysepatiënt: 'Ik vind het een verschrikking die
dialyse, steeds weer naar dat centrum en dan ook nog die vochtbeperking, maar toch heb ik nog nooit zo van het
leven genoten als nu. Ik ben vaak dankbaar en dat was me wezensvreemd toen ik me nog zo gezond waande als
een vis.' In de vierde fase ervaart de mens synthese, verbondenheid en
heelheid. Wanneer de mens zich vanuit die ervaring weer in het gelukzalige waant en dat ook zo wil houden, bevindt hij zich opnieuw in fase 1. De 83-jarige vrouw wekt de indruk zich onbewust te hebben verankerd in die fase. Daardoor is ze, haar
leeftijd ten spijt, nooit tot wijsheid gerijpt. Haar gevoelens van verbondenheid reikten niet verder dan
haar eigen familie.
Parcival
en de graal
Hoe mooi is een droom waarin het geluk alleen maar voor jou, je partner en
je nazaten is weggelegd? In de legende van koning Arthur gaat Parcival op zoek naar de graal. Beheerst
door zijn verlangen God te zien en een antwoord te vinden op al zijn vragen, gaat Parcival wanneer hij de
graal eenmaal heeft gevonden en de hemel boven zich helemaal open voelt, totaal voorbij aan het lijden van de
Graalkoning en diens naasten. Het schitterende licht dat hij bij het aanzien van de graal had aanschouwd,
veranderde daarmee in diep duister. Hij hervond de graal uiteindelijk door af te zien van zijn eigen
voorstelling van het paradijs en zijn hart open te stellen voor alle facetten van het leven.

Natuurlijk
kun je de seizoenloze wereld intrekken, waar je zult lachen, maar nooit
je volle lach. En wat weet je dan? Hoe humaan word je dan? Over de engelen heb ik wel eens horen zeggen
dat zij jaloers zouden zijn op de mens die ontwikkeling doormaakt. Welke uitdaging zit er nog in je bestaan
als je eeuwiglang rondzweeft in een soepjurk en af en toe eens een lieflijk deuntje blaast op een
trompetje?
De
mens is ook medeschepper
Mijn gedachten gaan terug naar die jonge leukemiepatiënt. Hoe je het ook
bekijkt: zoiets blijft toch wreed? Bij herhaling hoor ik mensen over dergelijke drama's hele zingevingstheorieën ophangen. Niet gehinderd door enige vertwijfeling weten zij hoe het leven in elkaar zit, dikwijls zelfs
tot ver over de grenzen van het tastbare aardse bestaan heen. Doorvragen levert vaak een wereld van veroordeling op. Wie zit dáár nou op te wachten? Iedere keer als het lot niet te keren valt en ik het diepe verdriet voel
omdat het sprookje van 'en ze leefden nog lang en gelukkig' niet uitkomt, word ik met mijn machteloosheid
geconfronteerd. Ik kan dan niet méér doen dan mijn hart openen voor datgene wat er is op dat moment. Vaak raak
ik daarbij ontroerd door de kracht en de liefde die mensen tonen terwijl zij met elkaar door de
diepste ravijnen van het leven gaan. Daarin zie ik mensen zich veelal ontwikkelen op een manier die hen zelf
achteraf verwondert. Ontvouwt zich juist dáárin niet een veel grotere droom, die al onze eigen bekrompen
voorstellingen te boven gaat? Die boom der kennis van goed en kwaad is toch niet zonder reden in de Hof van Eden
geplaatst?
Menig
mens gaat ervan uit dat zijn levensweg alleen maar over rozen zal gaan.
Die voorstelling van zaken komt voort uit zijn blijvende herinnering aan het vredige welbevinden
tijdens de eerste fase van zijn ontwikkelingsproces. Die rozen zijn er ook wel, maar van de mens wordt
verwacht dat hij ze verzorgt. En dat heeft weer alles te maken met zijn taak om verantwoordelijkheid te nemen
voor. In zijn verantwoordelijkheid wordt de mens medeschepper. Daarin zaait hij én kan hij oogsten. Dat kan
een bloemenpracht opleveren die zelfs je stoutste dromen overtreft.
Mij
overkwam het laatst nog, tijdens het dertigjarig jubileum van de
Nierstichting, uit mij onbekende hoek. Een ouder echtpaar sprak mij aan: 'Bent u de dochter van Pieter en Do de
Doelder?' 'Ja, helemaal', antwoordde ik. 'We lezen uw column altijd en dachten: dat kán haast niet missen. Wij
hebben uw ouders enkele malen ontmoet tijdens gezamenlijke reizen met de Nierstichting. Wij beschikken
over een aantal video-opnamen waar ze nog opstaan, het lukt wel om daar voor u één geheel van te maken,
zodat er een vakantiereisje met uw ouders ontstaat in Pörtschach en omgeving.' Het was net alsof mijn
ouders ineens uit de hemel kwamen vallen! Diep ontroerd nam ik het aanbod aan. Natuurlijk was ik in tranen
bij het in levende lijve terugzien van mijn ouders. Maar ik vond het weerzien ook héél leuk. En terwijl ik deel
had aan hun vakantieplezier, leek het net alsof mijn vader ineens zijn hand op mijn schouder legde en me liet
weten dat het goed was dat ik was gaan schrijven, dat die videoband, dat geschenk uit de hemel, gebracht
door een paar mensen die bereid waren uit te delen, mij nooit had kunnen bereiken als ik niet naar buiten
was getreden met zijn verhaal en mijn verhaal. Het voelde alsof ik de zegen kreeg van een tevreden pa.
Het
leven is niet enkel gelukkig. Maar het kent wel veel gelukkige momenten
met schitterende verrassingen. Voor een aantal daarvan kunnen we met elkaar zorgen, iedere keer weer
opnieuw, toch?
Dit artikel is eerder verschenen in het blad Wisselwerking, een uitgave
van de Nierpatiëntenvereniging LVD (Nr.4/augustus 1994)
terug naar boven |
|
|