|
|
Door Lieneke Koornstra .
Een rouwende hulpverlener: kan dat? Mag dat?
Voegt dat iets toe?
‘Dat jij dat volhoudt!’
‘Ik zou er niet tegen kunnen!’
Welke hulpverlener kent dergelijke uitspraken niet?
Bloed zien, akelige verhalen horen, aldoor geconfronteerd worden met
ziek en zeer: je moet er inderdaad maar tegen kunnen. Iedere werkdag
weer. Afdelingen als oncologie, dialyse, cardiologie en neurologie: daar
wil je toch eigenlijk niet komen? Maar de hulpverlener komt er niet als
patiënt, die is geen lijdend voorwerp. De hulpverlener heeft een missie,
die biedt de patiënt het laatste houvast, heeft de status van redder.
Maar soms is er helemaal niets meer te redden. Sta je met lege handen.
Voel je je machteloos.
Hulpverlener
als nabestaande
Het is niet gebruikelijk een hulpverlener als nabestaande te zien.
Die betiteling is gereserveerd voor familie, vrienden, kennissen en
buren. Maar het overlijden van een patiënt kan een hulpverlener wel
degelijk in het hart raken.
Hulpverlener
privé
Ook privé kan er van alles spelen waardoor een hulpverlener ten
diepste wordt beroerd. Opvoedingsperikelen, een dementerende ouder,
huwelijksproblemen, een overlijden, een ziek kind, een huisdier dat is
aangereden. Blije verwikkelingen zoals een aanstaand huwelijk, een
gewenste zwangerschap of een verhuizing kunnen de gemoederen eveneens
flink bezighouden.
Hulpverlener in
de organisatie
Reorganisaties kunnen je het gevoel geven dat er aan de poten van je
stoel wordt gezaagd. De hedendaagse toverwoorden van de markteconomie
kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor je positie, je manier van
hulpverlenen, je patiënten. De samenwerking met je collega’s kan soms
moeizaam verlopen. Of een collega met wie de samenwerking heel prettig
is, vertrekt. Ook
in het privéleven van collega’s kunnen zich verliezen voordoen. Bij de
dochter van de secretaresse wordt leukemie vastgesteld, de diëtiste
heeft een miskraam, een verpleegkundige komt om bij een verkeersongeluk
en tot overmaat van ramp matchen haar nieren met die van een racistische
patiënt.
Roerloze zee
Rouw hoort bij het leven, we vinden het een normaal verschijnsel.
Tegelijkertijd: het moet wel heel gauw over zijn. Een jaar en dan is het
wel genoeg geweest. Maar wanneer is het werkelijk genoeg geweest, zeker
als het jezelf, een professional betreft. De natuurlijkheid van een
reactie in de vorm van somberheid, verdriet, onvrede of angst op ziekte,
dood en ander diep ingrijpend leed
wordt sinds de in 1980 radicaal
vernieuwde versie van de DSM III in toenemende mate psychiatrisch
geduid. Rouw wordt al heel snel gezien als depressieve stoornis. De stap
om je eigen gewondheid te erkennen is hierdoor extra groot, waarbij ook
nog eens in ogenschouw genomen dient te worden dat het niet als
professioneel wordt gezien als ‘negatieve’ gevoelens aan de orde van de
dag zijn. ‘Een hulpverlener moet zijn als een roerloze zee’, las ik
ooit, ergens. ‘Hij moet emotioneel neutraal zijn, anders kan hij niet
professioneel handelen.’ Is dat een menselijke eis?
Risicofactoren
Soms komt er zó veel op een hulpverlener af dat het wel aan móet
grijpen, anders zou hij geen mens meer zijn. Of de professional zich
compleet laat overheersen door zijn emoties of in staat is ze te
beheren, hangt van verschillende factoren af. Deze zogenaamde
risicofactoren zijn in te delen in hulpverlenergebonden factoren,
situatiegebonden factoren en patiëntgebonden factoren.
Hulpverlenergebonden factoren
Herkenning en
identificatie is zo’n hulpverlenergebonden
factor. Natuurlijk is de diagnose terminale nierinsufficiëntie voor
iedereen
verschrikkelijk. Maar vind je een dergelijk lot
voor iedereen even verschrikkelijk? Met wie heb je het meer te doen: met
een oude alleenstaande dame die dialyseafhankelijk wordt of met een
jonge moeder die dat lot treft? Met een 34-jarige alleenstaande vrouw
die fulltime in een boekhandel werkt of met een 34-jarige gehuwde vrouw
met twee kinderen en een parttime baan in diezelfde boekenzaak? Hoe meer
je van jezelf herkent in de situatie van de patiënt hoe beter je je in
kunt leven.
Empathie kan maken dat je de dingen te veel op jezelf betrekt,
dat je het verschil niet meer ziet tussen het mijn en dijn, het niet
meer bij de ander kunt laten. Het verhaal van die ander wordt jouw
verhaal, in jouw projectie verdwijnt die ander.
Leo Tolstoj heeft het effect treffend verwoord:
Ik zit op de rug
van een ander
ik verstik hem en laat mij door hem dragen
en toch verzeker ik hem en de anderen
dat ik met hem te doen heb en
dat ik zijn bestaan
op alle mogelijke manieren wil verlichten
behalve door van zijn rug af te gaan.
Eigen onverwerkt verdriet kan
je immens opbreken. De Unfinished Business van Elisabeth Kübler-Ross en
de verlieskast van Herman de Mönninck zijn bekende begrippen ter
aanduiding van allerlei opgekropt verdriet waardoor je kan worden
overvallen. In je onvoldragen rouw kan je zelfs rauw worden.
Gevoelens van inadequaatheid
kunnen je in hun greep krijgen als je de therapieontrouw van patiënten
niet weet te hanteren. Of als je je geen raad meer weet met al die
problemen van al die mensen. Of als je meerdere keren eenzelfde fout
maakt, bijvoorbeeld misprikken.
Angst voor dood, ziekte en invaliditeit
steekt vaak de kop op bij mensen die nog maar net zijn begonnen in de
gezondheidssector. Ze voelen vreemde knobbeltjes en pijntjes en vrezen
de ziekte onder de leden te hebben waar hun patiënten aan lijden. Maar
ook hulpverleners die al jaren in het vak zitten kunnen zeer
afstandelijk met patiënten en hun familieleden omgaan. Het is een
afweermachanisme om vooral niet met de eigen kwetsbaarheid en
sterfelijkheid te worden geconfronteerd.
Een
van mijn opleiders zei ooit: ‘Als je problemen hebt met de opgaven die
het leven je stelt kan je twee dingen doen: je gaat werken als
hulpverlener óf je wordt patiënt.’ Je laten helpen is wellicht de
grootste kunst.
Overbelasting door rouwervaringen
kan zich voordoen bij ouwe rotten in het vak. ‘Mijn kerkhof ligt vol’,
zijn woorden van een vroegere vakgenoot die mij altijd zijn bijgebleven.
Zo ook de hartenkreet van een gynaecoloog die de zoveelste
slechtnieuwstijding moest doen : ‘Alweer een wereld die vergaat. Ik kan
ze er niet mee confronteren, ik kan het met mijn gevoel niet meer
rijmen.’
Situatiegebonden factoren
Tijdsdruk kan er de oorzaak van
zijn dat je het gevoel hebt je werk niet te kunnen doen zoals je het zou
willen doen. Snel tempen, snel op de po, hup de douche in zonder de
patiënt nog die persoonlijke aandacht te kunnen geven die zowel door de
patiënt als door jou zo gewenst zijn.
Door alle drukte kan een patiënt aan je aandacht
ontsnappen en je zelfs totaal ontglippen.
Onenigheid over het behandelbeleid
is meermaals een terugkerend punt. Zolang er geen medische
contra-indicatie is wil de nefroloog iedere jonge patiënt op laten gaan
voor peritoneaal dialyse terwijl de medisch maatschappelijk werker de
psychosociale aspecten wel degelijk mee wil laten wegen. Of de ene nefroloog vertelt iets anders aan een
patiënt dan de andere en de verpleging schippert er tussenin.
Reorganisatie is aan de orde
van de dag, markt- en productdenken is in. Van een chirurg
wordt verlangd dat hij uitsluitend de ontstoken
blinde darm ziet die hij er zo goedkoop mogelijk uit moet halen. Dit
gaat ten koste van de persoonlijke aandacht voor de patiënt. Als
hulpverlener word je beoordeeld op tijd- en kostenbewust handelen. Er
zijn allerlei DBC’s waarin de Z van Zorg ontbreekt. Wie altijd met
toewijding heeft gewerkt moet zijn hart uitschakelen. Hoe kan je die
knop omzetten van werken in een zorginstelling naar werken in een
winstgevend bedrijf?
Een langdurige / hechte relatie patiënt – hulpverlener
maakt de band persoonlijk. Als een patiënt die je nauwelijks hebt
meegemaakt overlijdt is dat anders dan wanneer er veel met elkaar is
gedeeld. Op een dialyseafdeling weet niet alleen het personeel veel van
hun patiënten, het omgekeerde is ook vaak het geval. De patiënten leven
mee met bruiloften, zwangerschappen, examens en allerlei vakanties. In
dialyseland wordt niet voor niets gesproken over dialysefamilie.
Een persoonlijke relatie patiënt – hulpverlener
maakt het vrijwel onmogelijk om nabij te zijn met behoud van distantie.
Niet voor niets is er het gezegde: een chirurg opereert zijn eigen vrouw
niet graag.
Patiëntgebonden
factoren
Boosheid, wantrouwen en depressie bij de patiënt of
familie kunnen moeilijk hanteerbaar zijn.
Hoe te reageren op een patiënt die je voor alles wat
slecht en lelijk is uitmaakt nadat hij een slechte diagnose heeft
gekregen? Wat is je boodschap als iemand precies bijhoudt hoeveel tijd
je bij haar aan haar stoel zit en hoeveel tijd bij een ander? Wat vang
je aan met een patiënt die almaar zit te boeren en te winderen en zich
open en bloot over de buik krabt? Wat zeg je tegen een patiënt die
iedere vorm van empathie afdoet met: ‘Jullie weten helemaal niet wat het
is om dialysepatiënt te zijn!’?
De patiënt is werkzaam in de medische sector:
oei! Eisen als: ‘Ik ben toch een collega, dan kan ik toch wel even
voor?’ of ‘Mijn medische scholing en medisch niveau rechtvaardigen een
inbreuk op het protocol’: ga er maar aan staan! Of deze, ook stevig
ondermijnend: ‘Als ik geen idee heb wat mijn klachten zijn, dan zullen
andere dokters dat ook niet weten.’
Complexe, disfunctionerende familierelaties
kunnen heel aangrijpend zijn. Een vader die niet wil dat zijn dochter
een CAPD-catheter krijgt: uiteindelijk blijkt dat de man het meisje
seksueel misbruikt. Een zoon die zijn vader niet meer voor vol aanziet
nu die dialyseafhankelijk is: daar kan ik toch niet trots op zijn?
Rouwreacties
Welke hulpverlener kent ze niet: het
rouwfasemodel van Elisabeth Kübler-Ross1,
de drie A’s van Herman de Mönnick2
de classificaties van Jan van den Bout3
en ga zo maar door. De diverse rouwaspecten zijn makkelijk te benoemen
als het over patiënten gaat. Maar hoe zit het eigenlijk als het jezelf
als professional betreft? Bekijk je jezelf wel eens aan de hand van
dergelijke indelingen? Welke kernbegrippen kunnen jezelf betreffen?
Schok / Verbijstering: Een
patiënt overlijdt tijdens de dialyse. Of overleeft een
niertransplantatie niet. Je adem stokt. Je kan er niet bij. Je bent
verdoofd.
Ontkenning: Een patiënt schuift
je behandeladvies terzijde. Dat kan toch niet waar zijn? Een patiënt
wuift je oprechte zorg over zijn therapieontrouw weg. Hoe is het
mogelijk! De nefroloog en een groot deel van de dialyseverpleegkundigen
vinden dat het budget wel beter besteed kan worden dan aan jouw
discipline. Ongelooflijk, ze kennen de werkelijke inhoud van mijn vak
niet eens!
Schaamte/schuldgevoelens:
Afspraak vergeten.
Misgeprikt, meermaals zelfs. Een verkeerd gestelde diagnose. Niet de
juiste woorden kunnen vinden. Niet verder komen met een patiënt. Je
emoties niet in hebben kunnen houden bij een patiënt of bij collega’s.
Je kunt je troosten met het feit dat niemand volmaakt is, maar liever
loop je er niet mee te koop.
Machteloosheid: Het gevoel
niets meer te kunnen doen en met lege handen te staan. Een overlijden
niet kunnen voorkomen. Je erbij moeten neerleggen dat het niet anders is
terwijl je alles zou willen doen om te redden wat niet meer te redden
is. Lijdzaam moeten afwachten tot er een arts komt. Of handen tekort
komen omdat er door al die bezuinigingen veel te weinig handen aan het
bed zijn.
Angst: Je kan vrezen voor de
reacties van een patiënt, familie, collega’s, leidinggevenden op een
door jou gemaakte misser. Bang zijn voor herhaling van een eerdere
misser. Opzien tegen de reacties van de patiënt op een
slechtnieuwsbericht.
Boosheid: Een patiënt die
onredelijke eisen stelt kan je het bloed onder de nagels vandaan halen.
Of al die zeurmutsen: je kent hun verhaal wel, je weet precies wat er
komt. En dan die lui die zich niet aan hun vochtbeperking houden, hoe
irritant! Een slechte samenwerking met andere disciplines kan de
adrenaline ook flink opjagen. En als je taken moet verrichten die tegen
je eigen principes indruisen kan je je daar verschrikkelijk over
opwinden.
Verdriet: Als een patiënt met
wie je een prettige verstandhouding hebt overlijdt kan je dat droef
stemmen. Ook het feit dat geen van je patiënten ooit beter wordt kan je
met treurnis vervullen.
Opluchting: Wanneer de relatie
met de patiënt gespannen is kan het een bevrijding zijn als hij
getransplanteerd wordt of overlijdt. Patiënten die ‘stronteigenwijs’ of
‘lastig’ zijn, die geen hulp aanvaarden, ben je soms liever kwijt dan
rijk.
Verrijking: De manier waarop
een patiënt zijn ziekte hanteert kan voorbeeldig zijn. De patiënt kan je
iets meegeven door het delen van zijn beleving. Dat de stevige hand die
je geeft voor hem een pijnlijke hand is. Dat de aangereikte zakdoek
wordt opgevat als droog je tranen maar, vooral niet huilen.
Dankbaarheid: Het kan dankbaar
stemmen als je veel voor een patiënt hebt kunnen doen, veel voor hem
hebt kunnen en mogen betekenen. Ook kan je dankbaar zijn voor het
vertrouwen van een patiënt. Dat hij je deelgenoot maakt van zijn leven.
Je nabij laat zijn. Je toelaat in de naaktheid, de kwetsbaarheid van
zijn bestaan.
Eenzaamheid: Rouw van
hulpverleners wordt vaak niet erkend. Dat roept het gevoel op alleen te
staan.
Draaglast –
Spankracht
Wanneer de draaglast groter wordt dan de spankracht
wordt het moeilijk je aandacht bij je werk te houden, je nog goed te
kunnen concentreren. Je lontje kan heel kort worden. Alledaagse
problemen krijgen extra zwaarte. Je bent hartstikke moe maar kan de
slaap niet vatten. Je zit volop in de stress, hebt mogelijk een burnout.
Opvang
Waar kan je wérkelijk terecht?
Iedere afdeling kent wel een
teambespreking,
maar biedt dat uitkomst? Hulpverleners kunnen de neiging hebben zeer
rationeel om te gaan met verdriet van anderen. Daar ben je niet mee
geholpen. Sommigen willen ook te snel troosten, maar verplaatsen zich
niet echt in jou. De vraag is wat er centraal staat: jouw pijn, hun
projectie of de organisatie waarvoor vooral jouw productiviteit telt?
Misschien voel je je wel onveilig in het team doordat je een kwetsbare
positie hebt. Op sommige afdelingen bestaat de mogelijkheid van
intervisie.
Maar daarvoor gelden dezelfde knelpunten als voor een teambespreking.
Informele gesprekken hebben
eveneens hun beperkingen. Vaak is de tijd beperkt en blijft het aan de
oppervlakte. Daarbij moet het beroepsgeheim in acht worden genomen. De
bedrijfsarts
kan in de arm worden genomen. Maar moet de ziektewet uit de kast gehaald
worden om emoties te verwerken? Organisatiebelangen en/of dreiging van
de WAO maken de tijd daarvoor hoe dan ook beperkt. Het
thuisfront
kan dienen als toevluchtsoord. Toch moet je oppassen wat je zegt, want
je geheimhoudingsplicht blijft gelden. Bovendien: hoe belastend is al
die ziekenhuismalheur voor je partner?
Spiritualiteit
kan verlichting brengen. Religie, New Age,
zingeving aan het leven, ziekte en lijden. Een
training
kan zinnig zijn met aandacht voor klinische aspecten en gespreksvoering,
waarbij tevens de eigen beleving kan worden verkend, mede aan de hand
van verwerkingsopdrachten zoals erover schrijven, beeldend werken. Maar
wie betaalt dat? Je kunt in
supervisie
gaan waarbij je reflecteert over de beroepsmatige opgaven, de ervaring
daarvan, de zelfsturing en beslisvaardigheid daarin. Ook hier geldt
weer: wie betaalt dat?
Zinvinding
Waar je het ook zoekt, het leven en al wat je daarin
tegenkomt, dus ook jouw rouw als hulpverlener, is er om je de zin te
leren vinden.
Betekenisgeving
Verkenning van je eigen unieke
manier van betekenisgeving kan daarin een
eerste stap zijn die je met jezelf zet. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen
wat het probleem voor jou is als een patiënt wil stoppen met dialyseren.
Wat zijn je eerste reacties daarop? Wat vraag je je af, waarover ben je
onzeker? Wat zijn volgens jou de centrale elementen, de kernbegrippen
daarbij en wat is de eigenlijke betekenis daarvan voor jou? Let wel, het
gaat hierbij niet om de feitelijke, werkelijke betekenis zoals
omschreven in een woordenboek, maar om wat het betekent in jouw
verstaan. Wat zie je als normen, plichten, rechten, waarden, idealen,
deugden en ondeugden? Wat betekenen deze overwegingen voor jouw kijk op
de vraagstelling, is die veranderd of juist aangescherpt? Wat betekent
dat voor jou? Kan je deze overtuiging voortzetten als je omstandigheden
veranderen? Wat is je droom? De woorden van Martin Luther King ‘I have a
dream’ spraken velen aan: niemand neemt het je kwalijk dat je die droom
nog niet verwezenlijkt hebt. Het gaat er niet om problemen op te lossen:
plaats ze in het daglicht. Een probleem is een probleem omdat jij
besluit dat het een probleem is. Bekijk het probleem in relatie met een
groter probleem opdat het bevrijd kan worden: bevrijd de potentie uit
het probleem, vertaal het opnieuw zodat het leven eruit komt, dan gaat
het niet meer over ‘goed’ of ‘slecht’ maar over wel of niet dienstbaar.
Het probleem komt dan in dienst te staan van diepere waarden, is geen
veroorzaker meer op zichzelf.
Inspiratie
Stilstaan bij je
inspiratie
kan je ook in verbinding brengen met je eigen zin. Waar haal je je
inspiratie vandaan? Waardoor word je gevoed? Sta je jezelf toe gevoed te
worden? Is het werken met targets inspirerend? Ten koste van wat? Waar
blijft het creatieve moment?

Realisme
Zin kan ook gevonden worden in het
ontwikkelen van een gezond
realisme waardoor je een
duidelijker beeld krijgt van het professionele kunnen. Er kunnen dingen
fout gaan. Mensen, dus ook professionals, maken fouten, weten niet
alles, kunnen niet alles: er is geen garantie. Grenzen kunnen verlegd
worden, steeds meer ontwikkelingen zijn mogelijk, toch is niet alles
maakbaar. De arts geneest de patiënt is een onlogische uitspraak: de
arts behandelt de patiënt en de patiënt geneest, of niet. Je hebt niet
alles in de hand, dat kán ook niet, maar toch kan je veel meer goed doen
dan je zelf soms beseft. Als een patiënt ten dode is opgeschreven kan je
nog altijd een barmhartige Samaritaan zijn in zijn laatste levensfase.
Soms ben je dat onbewust. Zoals die ene nachtwacht die een patiënt een
goede slaap had toegewenst, terwijl geen van beiden wisten dat het een
eeuwige slaap zou worden.
Doorleefde ervaring
De zich prima herstellende patiënt
kon die nacht de slaap niet vatten. Toen de nachtwacht haar ronde deed
had de patiënt om een glas water gevraagd. Een foto en een boekwerk op
het nachtkastje waren aanleiding voor een gesprek
over moederschap én de inhoud van het boek. Een góed gesprek waarvoor de
patiënt de nachtwacht bedankte. Ze kon gerust gaan slapen. Toen de
nachtwacht opnieuw haar ronde maakte, bleek de patiënt te zijn
overleden. De mening van het behandelteam ten spijt bleef de nachtwacht
met schuldgevoelens worstelen. Omdat ze niet bij de patiënt was
gebleven. De ronde niet eerder had gedaan. Niets aan de patiënt had
gezien. Totdat ze kon zien dat uitgerekend zij voor deze patiënt de
laatste schakel was geweest op weg naar de hemel. Daarmee kon het totale
gebeuren voor deze nachtwacht een
doorleefde ervaring
worden. Het proces daar naartoe heeft haar pijn gekost maar als het geen
pijn doet, gebeurt er niets.
De gewonde hulpverlener
Een mens wil niet leven met pijn,
maar kan ook niet zonder. Het is moeilijk je pijn te vertrouwen. Maar
pijn houdt je wakker, maakt alert, maakt helder, zuiver, brengt je tot
de kern. Daarom blijft pijn ook zeuren: pijn wil verstaan worden. Dan
kan de wond jou genezen. Er is geen genezing mogelijk dan alleen vanuit
de wond. Wat dient de wond? Alleen in de wond is contact mogelijk en
wordt er iets gedeeld. De wond is de basis voor inleving en
vereenzelviging en daarmee vooral voor moraal, ethiek, medeleven en
mededogen. Als je het contact met je pijn, je wond, kwijt bent, houd je
de stroom, het leven tegen. Dan roep je vanaf de kansel dat daar alles
mooi is en dat beneden alles fout zit. Dan ben je geen mens meer. In de
legende van koning Arthur gaat Parcival4
op zoek naar de gouden graal. Hierdoor verblind heeft hij geen oog voor
Amfortas5,
de gewonde Visserkoning. Door zijn gemis aan mededogen valt Parcival uit
het paradijs. Door de wond te negeren, weigert hij te zien dat er zonder
bloeden geen leven is. De medische behandeling van de wond is er
welbeschouwd op gericht dat je blijft bloeden: als je niet meer bloedt,
besta je niet meer. Je zou jezelf eens kunnen afvragen hoe je bloedt in
plaats van hoe je geneest. Je eigen wond is het contact met het geheel.
Reden tot verontrusting is dat zo weinig mensen erkennen dat ze zelf de
wond zijn en derhalve hun pijn op de wereld projecteren: zie het
journaal, zie de krant. Wanneer je je eigen wond niet kent besmeur je
die van de ander. Wij zijn
de gewonde hulpverleners, niet
de perfecte. Als je geen weet hebt van je eigen wond kan je ook niets
begrijpen van de wond van de ander. Dan zet je jezelf op de troon in
plaats van je te bekommeren om de gewonde Visserkoning. ‘Mensen die
ermee aankomen zetten dat ik mijn dialyse moet accepteren, kunnen van
mij de ziekte krijgen!’, luchtte een dialysepatiënt zijn hart eens bij
me. ‘Je snapt gewoon niet waar ze het lef vandaan halen! Je mag een
afgemeten tijd rouwen en de fout in gaan met je vochtbeperking, daarna
moet je door. Of eigenlijk willen ze zelf verder en geven ze jou op.
Maar ze moeten er niet aan denken om zelf dialyseafhankelijk te zijn.’
Een hartenkreet naar inleving, mededogen, naar erin verstaan worden om
te accepteren dat niet alles is te accepteren. Dan kan pijn een ervaring
worden die mensen verbindt.
Wederkerigheid
Waarom zoekt een patiënt naar
lotgenoten? Omdat die de pijn kennen én verstaan. Ook een patiënt en een
hulpverlener kunnen elkaars lotgenoot zijn. In de gewondheid dat niet
alles maakbaar is, dat binnen de organisatie van alles niet kan. Het
image dat je alles kan, dat je alles móet kunnen kan je in solidariteit
achterlaten. Mag de patiënt jou een hand reiken? Jou vragen of het weer
een beetje met je gaat na dat misprikken van de vorige keer? Of voel je
je dan alleen maar gegeneerd? Ooit vroeg een patiënt naar mijn
burgerlijke status. Ik was toen weduwe. Dat heb ik eerlijk gezegd. Later
kreeg ik van een verpleegkundige te horen dat ik dergelijke gevoelige
informatie niet aan patiënten mocht verstrekken. Waarom mag een patiënt
wel weten dat je getrouwd bent, een baby verwacht, een kind hebt in vijf
gym? Mag de patiënt aan jou ervaren dat jij even kwetsbaar, even
pijnbaar bent als hij? In die
wederkerigheid
kan je voor elkaar
betekenen, is de gewondheid teken én zegen. Als je
vergeet het litteken van je wond open te trekken, zie je de patiënt
niet. Je moet de patiënt natuurlijk niet lastigvallen met jouw wond,
maar je kan wel vanuit de wijsheid van jouw wond de relatie aangaan met
de patiënt. Dan heb je compassie met jezelf én met die ander. Bij
compassie ben je bijna hetzelfde als de patiënt. In compassie is
mededogen, tederheid, daar zit liefde in en ontzag voor het mysterie van
de ander en van wie jezelf bent. Dan hoef je niet voorzichtig te doen,
dan bén je het, dan ben je toegewijd.
Kijk eens even terug. Wat was ooit je motivatie om
voor je beroep te kiezen? En wat is daarvan nu nog actueel? Heeft de
praktijk beantwoord aan je verwachtingen? Ben je gegroeid? Mocht je erin
groeien? Mag je er eventueel ook uitgroeien? Ben je – ook in je werk –
trouw geweest aan je wond en daarmee trouw geworden aan je diepere zelf?
Ik citeer Anna Terruwe tot besluit:
Je mag zijn
wie je bent
en
zoals je bent
met fouten en gebreken
om te kunnen worden
wie je
in aanleg bent,
maar je je nog niet
kunt vertonen
en
je mag het
worden
op jouw wijze
en op jouw uur.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1.
Voorfase: onrust en onzekerheid; 1e fase: ontkenning, afwijzing en afzondering; 2e fase: woede, jaloezie,
schuldgevoelens en machteloosheid; 3e fase: marchanderen; 4e fase: verdriet en diepe verlatenheid; 5e fase: integratie
en aanvaarding.
2.
Afweer – afscheid – accommodatie.
3.
Schok – ontkenning - verdriet, machteloosheid en depressie –
opstandigheid en agressie – acceptatie.
4.
Deze naam staat voor: doorzetter naar het dal.
5.
Deze
naam staat voor: midden door het lijden gaan.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zie ook:
artikel:
Rouwkost
terug naar boven |
|
|