|
|
Door Lieneke Koornstra .
Een hulpverlener
kan emotioneel geraakt worden door het verhaal van een cliënt. Hij kan
zich er zelfs zó in verliezen dat hij een loopje neemt met de gevoelens
van de hulpvrager. Maar die blijft eenzaam en onbegrepen achter.
'Contact is
laveren tussen draaikolk en rots.' Met deze zin maakt Michael Topoff
duidelijk dat met elkaar in contact zijn de nodige stuurmanskunst vraagt. Aanhoudende waakzaamheid is
geboden om niet te worden meegezogen in een draaikolk of om niet te pletter te slaan tegen een rots.
Rotsen kun je overal tegenkomen in relatie met mensen die de boot afhouden, die alles buiten zichzelf
leggen, die hun wond projecteren op anderen. Draaikolken vind je bij mensen die zuigen, die alles op zichzelf
betrekken, die zichzelf tot spiegel maken van gevoelens van anderen. Afhouders en zuigers vind je ook onder
hulpverleners, terwijl je juist echte compassie nodig hebt in moeilijke, kwetsbare tijden. Wees dus
gewaarschuwd.
In
zijn boek 'Denken, passie en compassie' vestigt universitair docent Joachim Duyndam de aandacht op het fenomeen van de emotionele toe-eigening. Hij doet dit aan de hand van het
schitterende verhaal 'De gezichtenhandel' van Marten Toonder.
Gezichtsverlies
In dit verhaal bevindt zich een oude ruïne midden in een naargeestig bos.
De boomstammen staan dicht opeen zodat de zon er nauwelijks doordringt, het ruikt er naar paddestoelen en
het ritselt en frutselt er van allerlei eng gedierte. In die ruïne woont een plamoen. Een plamoen is een
overgevoelig wezen dat de doorgaans onbewuste angsten van anderen feilloos oppikt en overneemt. Daardoor zie
je in een gezicht van een plamoen, zodra je hem aankijkt, datgene weerspiegeld waar je zelf het
meest bang voor bent. Daarom is de aanblik van een plamoen voor vrijwel iedereen verschrikkelijk en niet te
verdragen. Geen wonder dat een plamoen een eenzame figuur is, want wie ontmoet er nou graag iemand die je
uitgerekend met datgene confronteert waarvan je zelf vindt dat het absoluut niet gezien mag
worden! Voor sommigen is die confronterende aanblik dermate shockerend dat dit in gezichtsverlies
resulteert. In dat geval is het een probleem anderen nog onder ogen te komen.
Leegte
Door eenzaamheid gedreven sluit de plamoen uit het verhaal ‘De
gezichtenhandel’, een verbond met een magister in zwarte kunsten. In ruil voor een bizarre tegenprestatie mag de plamoen een prachtig kasteel bewonen en daar gasten ontvangen. Wie zich aandient wordt met
trompetgeschal onthaald en uitgenodigd voor een exclusief diner. Heeft de gast zich eenmaal geïnstalleerd dan
komt de plamoen in beeld, die bij de gast aan tafel plaatsneemt. Terwijl de gast lekker toetast, neemt de
plamoen zelf geen hap. De reden hiervan is dat de plamoen zich vermomd heeft onder een Kukluxclan-achtige muts,
waardoor hij niet mee kan eten. De gast wordt hierdoor in verlegenheid gebracht. Steevast krijgt de plamoen
daarom de vraag voorgelegd of hij zijn masker liever niet af wil zetten. Deze waarschuwt voor zijn
buitengewoon afstotende gelaat, maar dat bezwaar wordt door iedere gast ruimhartig weggewuifd. Meteen als de
plamoen zich van zijn masker ontdoet, gebeurt er iets verschrikkelijks: de gast raakt zo ontzet dat hij zijn
gezicht verliest. De verloren gezichten gaan allemaal richting magister, die een duistere handel drijft in
gezichten en persoonlijkheden. En alle voormalige gasten van de plamoen sluiten zich thuis op met een in doeken
gewikkeld hoofd. Dankzij een list van Tom Poes komt die kwalijke gang van zaken ten einde. Ook hij schuift
bij de plamoen aan tafel en nodigt deze uit zich te ontdoen van zijn masker. Hij kijkt de plamoen echter niet
rechtstreeks aan, maar via een meegebrachte spiegel. De plamoen die zichzelf nu voor het eerst ziet,
kijkt evenals Tom Poes in een gapende leegte. Nu is het de beurt aan de plamoen om ontzet te raken. Hij krijgt
wroeging over het gezichtsverlies dat hij bij anderen teweeg heeft gebracht (en wroeging is héél erg voor zo’n
gevoelig wezen). Het drama eindigt als de plamoen zonder masker de magister tegemoet treedt waarop deze zelf
zijn gezicht verliest en wegvlucht.
Plamoeneske empathie
Natuurlijk is de plamoen typisch een creatie uit de wereld van Marten
Toonder, waarin nozellarven, dankputters, wraakgieren, minkukels en warempel ook nog een zielknijper
optreden. Het bijzondere van die wereld is dat zij zowel een creatieve karikatuur als een kritische
verbeelding van de gewone mensenwereld is, met een hoog realiteitsgehalte, zelfs door meerdere decennia heen. De plamoen is een metafoor voor het menselijk inlevingsvermogen.

Plamoenen
kunnen zich overal vertonen, ook in de zorgsector. Mensen die toch al
zwak in hun schoenen staan, lopen het gevaar hun gezicht te verliezen als de hulpverlener waarop ze
zijn aangewezen, een plamoen blijkt. Voorbeelden daarvan zijn altijd bizar. Hieronder volgen er twee, allebei
waar gebeurd.
Een
verpleegkundige die, nadat een patiënt haar heeft toevertrouwd dat een
van zijn organen is beschadigd omdat een arts hem verkeerde medicatie heeft voorgeschreven, een hopeloos
gebaar maakt met haar beide handen, enkele diepe zuchten slaakt en vervolgens een ademsmorende dialoog
houdt over hoe moeilijk het moet zijn om compleet afhankelijk te zijn van anderen, hetgeen de patiënt
met een wanhopig ‘O nee, o nee!’ onder de dekens weg doet kruipen.
Een
coach die, nadat haar cliënt verteld heeft dat hij uit zijn functie
dreigt te worden ontheven, in huilen uitbarst, betraand verklaart hoe verschrikkelijk zij dit voor hem vindt en
de sessie tijdelijk onderbreekt, waarna een huiveringwekkende klaagzang volgt over wat het verlies van
sociale status zoal kan behelzen, totdat haar cliënt uiteindelijk zijn gezicht hoofdschuddend achter zijn
handen verbergt.
Beide
voorbeelden zijn illustratief voor het doorslaan in empathie. Het
onderscheid tussen het mijn en het dijn is totaal verdwenen. Er is geen enkele sprake meer van nabijheid met
behoud van distantie.
Plaatsvervanging
Compassie vormt niet zelden een reden om in de hulpverlening te willen
werken. Op zich is daar niets mis mee: inleving in anderen is vereist om emotionele steun te kunnen geven.
De plamoeneske hulpverlener neemt echter de plaats van de ander in. Nu kan zelfs plaatsvervanging
binnen een hulpverleningsrelatie functioneel zijn, denk bijvoorbeeld aan een advocaat die de belangen van
diens cliënt waarneemt voor de rechtbank, de medisch maatschappelijk werker die de vertaalslag maakt
tussen de arts en de patiënt, de leidster van het kinderdagverblijf die de zorg voor de kinderen overdag
realiseert. In al deze gevallen geldt echter dat de plaatsvervanging in beperkte mate plaatsvindt en wat duur
betreft tijdelijk of voorlopig is. Bovendien betreft het hier niet het overnemen van emoties maar het
behartigen van een bepaalde zaak.
Meedogenloos
Joachim Duyndam is er heel duidelijk over: 'De hulpverlener die te ver
gaat in de hulpverlening, die zich inleeft op de wijze van een plamoen, heeft de cliënt niets te bieden: geen
erkenning, geen emotionele steun. Zo iemand helpt alleen zichzelf, en waarschijnlijk zelfs dat niet. De
plamoeneske hulpverlener maakt zichzelf tot spiegel van de gevoelens van de cliënt. Hij zal diens gevoelens
ongestileerd en in zekere zin meedogenloos weerspiegelen (meedogenloos omdat er geen houvast geboden wordt). De
cliënt ziet het ergste van zichzelf weerkaatst. Hij kan in de waan verkeren dat hij helemaal gezien én gekend
wordt: eindelijk iemand die hem écht begrijpt. Of hij kan hevig schrikken en zich schamen. Daadwerkelijk
compassie geven, zeker in professionele context, betekent balanceren in een spannend evenwicht
tussen de uitersten van projectie en plamoeniteit.'
Zuiver
Compassie die werkelijk zuiver is, troost. De emoties van de ander
worden niet onteigend, maar in tact gelaten, geduld, verdragen, en zelfs gegund. Compassie is niet alleen
passie, het houdt ook actie in. Echte compassie dóet iets, ze gééft. Ze geeft de ander de ruimte, de ruimte om
zichzelf uit te stralen. Zodoende kan de ander zijn ware gezicht ook laten zien. Dat vraagt van de
hulpverlener meer dan het agogisch geschoold zijn. Het vereist evenzeer diens bereidheid in zichzelf te
schouwen en, eventueel in leertherapie, de relatie aan te gaan met de eigen emoties, zodat de insteek zuiver is,
onbezoedeld, en dus vrij van projectie en plamoeniteit. Laveren tussen de draaikolk en de rots kan dan
plaatsvinden zonder een krampachtig vasthouden van het roer, maar met gevoel voor roer en stroming.
Dit artikel verscheen eerder in het blad 'EKR-Nieuws', een uitgave van
de Stichting Dokter Elisabeth Kübler Ross Nederland (NR 2/2004)
terug naar boven |
|
|