Home
Artikelen
 
Boek - Mijn Liefde Kent Geen Dood
 
Lezingen & Workshops
 
Partner- & Rouwgroepen
 
Spreukenhoek
 
Contact
 
 
 
 

Door Lieneke Koornstra  .

Waarom vertel je me dit? Deze vraag helpt vaak als iemand voor de zoveelste keer zijn zeurverhaal kwijt moet. De vraag is natuurlijk: heeft ooit iemand wérkelijk geluisterd naar dit verhaal?

In mijn studententijd verdiende ik een leuke cent bij als pompbediende. Ik kreeg met klanten van allerlei slag te maken. Een paar van hen zag ik liever gaan dan komen. Zoals die ene man, die altijd als het regende, hagelde of sneeuwde, van mij verlangde dat ik zijn olie en banden nakeek. Op een dag had het gevroren dat het kraakte. 'Waarom was je mijn voorruit niet?', vroeg hij, toen hij merkte dat ik dat klusje niet gewoontegetrouw verrichtte. 'Omdat uw ruit dan bevriest', maakte ik kenbaar. 'Zeker bang voor een paar koude handen, hè?', was zijn gedachte. 'O nee', zei ik, terwijl ik een kletsnatte spons uit een emmer viste en ijverig begon te soppen. De boel vroor meteen dicht. 'Wat moet ik nou?', vroeg de man paniekerig. 'Tja', zuchtte ik, 'dat is 't probleem nu. Maar ik heb wel wat voor u.' Ik liep naar mijn hok en haalde een ruitenontdooier tevoorschijn. Spoot precies boven zijn stuur een klein rondje. 'Zo, daar kunt u door kijken. En als u meer van de wereld wilt zien, kunt u deze spuitbus kopen.' Balend als een stier besloot hij daartoe. Kort daarop kwam hij voor een tientje tanken. 'Ik kom er wel bekaaid af, hè?', merkte hij op, terwijl hij met geknepen ogen naar de pomp staarde. 'Maar meneer!', reageerde ik quasi geschrokken. 'Een hele cent te weinig! Hoe kan ik dit goed maken? Wilt u hem contant van me terug hebben, zal ik hem overmaken op uw bank of giro, of zal ik hem alsnog even in uw tank knijpen?' Hij had een andere optie: 'U mag hem houden als fooi.' Ik toverde een brede glimlach op mijn gezicht: 'Geweldig meneer, zo'n gebaar vergeet ik mijn hele leven niet meer'. Toen ik nog bij die benzinepomp werkte, kreeg ik prompt de kriebels als ik die vent aan zag komen rijden: altijd wat te zaniken, te zeuren, te mauwen.

Sudderlapjes
Van die hoogst irritante mensen, waar naderhand vaak om valt te lachen, kom je overal tegen. Ook onder patiënten. Absolute topper: 'Met die taxi is het weer niks'. 'Moet u na de dialyse zo lang wachten eer er eentje komt?', was mijn eerste gedachte. 'Dat is 't probleem niet. Hoe lang geleden heeft Mercedes inmiddels een nieuw model geïntroduceerd? Ik wil niet in zo'n oude bak vervoerd worden.' 'Een Porsche zou ook niet onaardig zijn', was ik van mening. 'U neemt mij niet serieus', was de bevinding van de patiënt. Ik stond perplex. Ik dacht heus dat het om een grap ging.

Er is ook een manier van zeuren die oervervelend blijft, zowel tijdens als naderhand. De meest verdrietige dingen worden verteld, maar zonder enige emotie. Als je het geluid af zou kunnen zetten, zou je werkelijk denken dat de persoon in kwestie een aangifteformulier van de belastingdienst voorleest. Een vakgenoot bedacht voor dit type zeurders de toepasselijke naam 'sudderlapjes': ze sudderen maar door, niet badend in de jus maar wel zwelgend in hun ellende. Ellende die niemand mag verlichten, want die ellende is nog hun enige zekerheid, hun enige houvast. Alles wat die sudderlapjes zeggen is voorspelbaar. Het voegt niets toe, het is een oud verhaal, een dood verhaal. Er valt niet naar te luisteren. De meeste mensen haken dan ook af. Als hulpverlener kun je dat niet maken. Wanneer ik merk dat mijn gedachten steeds weer afdwalen en alles in me begint te jeuken en te kriebelen, ga ik de confrontatie aan door kenbaar te maken dat ik het moeilijk vind mijn aandacht er nog bij te houden. Soms hoort de zeurpot niet eens wat ik zeg. Dan moet ik dus echt gaan zorgen dat ik snel in beeld kom: 'Hallo, je hebt het wel tegen mij, maar ik zeg nu even iets, ontvangt u mij?' Het kan gebeuren dat de zeurder woedend wordt. 'Zo, dus mijn verhaal interesseert jou niet. Naar mensen luisteren is anders wel je vak!', vloog een zeurkous geïrriteerd op uit haar stoel. Het kon er bij haar onmogelijk in dat het juist een blijk van interesse was, dat ik haar niet zo maar liet praten.

Menig zeurder ziet de eigen malheur als de oorzaak van het frequente gebrek aan belangstelling van anderen. Niet helemaal ten onrechte natuurlijk: 'Lach en de wereld lacht met jou, huil en je huilt alleen' is een ervaring die velen kennen, zeker als de rampspoed langer gaat duren dan enkele weken. In dat laatste geval raakt de vriendenkring dikwijls uitgedund, of nee, uitgezuiverd: de échte vrienden blijven over. Maar let wel, vrienden kun je alleen krijgen door zelf een vriend te zijn: kun je jezelf werkelijk een vriend noemen als je alleen jezelf wilt horen praten, voor niets of niemand belangstelling kunt opbrengen en verder nauwelijks of geen emoties toont?

Geen gezeur, wel een hartenkreet
Er zijn ook mensen die bang zijn dat ze zeuren, terwijl ze dat helemaal niet doen. Zo zal ik nooit de leukemiepatiënte vergeten, die mij bij herhaling vroeg of ik haar geen zeurmuts vond. Zij moest een totale bestraling ondergaan, waarbij alleen haar oogleden en haar nagels werden afgedekt met stukjes lood. Samen hebben we meer dan eens gesproken over haar angst voor dat ongrijpbare gebeuren waarbij onzichtbare en onvoelbare radioactieve stralen een bombardement plegen op zowel slechte als goede cellen. En over haar eenzaamheid, alleen bij dat gigantische apparaat in een ruimte die haar tijdens de bestraling met meters dikke muren van de hele mensheid gescheiden hield. En later, toen de bestraling niet bleek te zijn aangeslagen, over haar pijn aan het afscheid moeten nemen van haar man, haar kinderen, de bomen buiten, de zon, de maan. Afscheid van de hele wereld. Ze wilde zo graag, zo ontzettend graag, iets positiefs, iets opwekkends vertellen, maar iedere keer was het kommer en kwel. 'Vind je mij nou geen zeurmuts?', volgde als vanzelf haar vertwijfelde vraag. Dikwijls streelde ik dan haar hand en zei iets in de zin van: 'Dat is toch geen zeuren, dat zijn hartenkreten!' Als hartenkreten worden geuit, vloeien er tranen, wordt er gevloekt, gewanhoopt, gebeefd, gelachen, liefgehad. Geen sprake van zeuren.

Wat ons niet uitkomt, wordt al heel snel aangeduid met zeuren. Kom je even helpen met de afwas? Wat een gezeur nou, ik zit net zo lekker. Vies hoor, overal die hondenpoep! Je moet niet zeuren, wij betalen hondenbelasting. Ik zou het fijn vinden als je eens wat vaker met mij zou praten. Dat is nou typisch vrouwengezeur. Je kan het niet overal maken om de ander te vertellen dat hij zeurt. Dan wordt het op andere wijze te verstaan gegeven. De arts die de inbreng van de medisch maatschappelijk werker als gezeur beschouwt, zal bijvoorbeeld fijntjes opmerken dat er nog veel meer patiënten besproken moeten worden. En het bezoek dat de gastheer een zeurkanis begint te vinden omdat hij nog steeds geëmotioneerd kan vertellen over het gemis van zijn vrouw die een half jaar geleden heel plotseling overleed, zal wel eens rigoureus kunnen besluiten niet nog eens een borreltje bij hem te komen drinken. Als de inbreng van de ander als onplezierig wordt beleefd, wordt het afgedaan als gezeur. Logisch dat inmiddels menigeen denkt dat hij aan het zeuren is als de emoties ongemakkelijk zijn. In de hoop niet als een zeur door het leven te gaan, worden emoties vaak ingeslikt. Daarmee wordt nu juist de basis gelegd voor geestdodend gezeur.

Wie zeurt wil gehoord worden
Omdat zeuren niet populair maakt, kun je je afvragen waarom er toch zo veel gezeurd wordt. In een rapport van Lieber Research Worldwide komen Amerikaanse wetenschappers tot de conclusie dat zeuren wel degelijk helpt. Wanneer kinderen bij hun opvoeders om dingen zeuren zoals speelgoed, bioscoopbezoekjes, snoep en patat, blijkt dat dit gezeur ten grondslag ligt aan 20 tot 45 procent van de verkoop van dergelijke zaken. Uit het onderzoek kwam tevens naar voren dat ook de kwaliteit van het zeuren een belangrijke rol speelt. Het continu herhalen van zinnetjes als 'Ik wil het' blijkt doorgaans niet te werken. Het aanvoeren van redenen als 'Barbie heeft een droomhuis nodig omdat ze kindjes wil', schijnt veel beter op het gemoed in te werken. Ergo, als kind leer je dat je met zeuren altijd een kans maakt, al is die nog zo klein. En jong geleerd, is oud gedaan. Degene die zeurt, of als zodanig wordt ervaren, wil hoe dan ook gehoord worden. Door het leven heen kun je leren dat gehoord worden niet altijd hetzelfde is als je zin krijgen. In je hele leven krijg je wellicht voor zo'n 20 tot 45 procent je zin, en als je erg veel geluk hebt, misschien nog wat vaker. Voor de overige procenten moet je compromissen sluiten of je verlies accepteren. Degene die daarover door blijft zaniken, heeft iets tirannieks in zich. Zo iemand kan behalve hoogst irritant en geestdodend ook nog levensgevaarlijk zijn.

Sprookje voor de zeurder
Het sprookje 'Van het tovervisje' verhaalt over een dwergenpaartje, dat onfortuinlijk leefde in een keulse pot. Toen de dwergjes hoorden dat er een tovervisje aan 't strand was verschenen, dat je alles kon geven als je het maar nederig vroeg, besloten ze erheen te gaan en een huisje te vragen. Het huisje kwam er, maar toen moest het worden ingericht. Nog maar nauwelijks had het visje dat geregeld of het dwergenvrouwtje had al weer een nieuwe wens. Zo maakte ventje Piggelmee, met steeds meer moeite, daag'lijks een wandeling naar 't visje in de zee, de ene keer voor een ditje, de andere keer voor een datje. Toen zelfs het beste niet meer goed genoeg bleek, werd het visje uiteindelijk boos. In één toverslag woonden de dwergjes weer in hun oude keulse pot. Moraal van het verhaal: eens moet een mens ophouden met zeuren, anders zal hij nooit tevreden zijn.

Dit artikel verscheen eerder in het blad ‘Wisselwerking’, een uitgave van de Nierpatiëntenvereniging LVD (Nr. 3/juni 1999)

terug naar boven