|
|
Door Lieneke Koornstra .
Troosten is een manier van samen zíjn. De pijn van de ander erkennen,
respecteren, in plaats van kleineren of ontkennen. Je kunt alleen maar
troosten, als je de ander werkelijk ziet.
Soms heb
je een dag waarop alles mis gaat. Zo'n dag waarop je je verslaapt, over
de poes struikelt, daarbij het pak melk uit je handen laat vallen, je fiets met een platte band
aantreft en dan, maar snel de auto genomen, niet op kunt schieten omdat er een schip door moet en het hele
verkeer dus vast zit. Echt zo'n dag waarop je in navolging van heer O.B. Bommel kunt verzuchten: 'Hoe
vreselijk is dit alles!' En terwijl je stierlijk baalt omdat het niet lukt een opening te vinden waar je je auto tussen
kunt proppen, is er ineens het loyale gebaar van die vriendelijke automobilist: 'Gaat u maar.' Meteen kan je
weer lachen. Is je dag weer goed. Vaak zijn het de kleine dingen die 't 'm doen. En waar troost uit valt te
putten. Pagina's zou ik vol kunnen schrijven over wat ik allemaal als troostrijk ervaar. Maar wat mij troost, is voor
een ander misschien hol en leeg. Of omgekeerd. Waar je bronnen van troost ook liggen, feit is dat ze voor jou
weldadig zijn. Ze hebben je iets bemoedigends en verzachtends te bieden. In moeilijke omstandigheden is
troost onontbeerlijk.
Geen
betutteling

Of je het rijk van troost kunt betreden, hangt niet alleen van de ander
maar ook van jezelf af. Machogedrag bijvoorbeeld, is een absolute contra-indicatie voor zowel het toelaten als
het bieden van troost. Enerzijds wordt alles wat emotioneel is als zwak beschouwd: nee een man mag niet
huilen, ook al heeft hij verdriet. Anderzijds raakt alles wat met troosten te maken heeft, aan het feit dat
je getroffen bent door verlies: houd op zeg, het haantje moet victorie kraaien, kukeleku! Betweterigheid doet
ook meer kwaad dan goed. Natuurlijk kunnen we hierbij denken aan het blindvaren op rationele
argumenten, vaak op prekende toon verkondigd, bijvoorbeeld: je schiet er niets mee op om zo verdrietig te
zijn, daar krijg je je gezondheid echt niet mee terug! Maar laten we ook niet voorbij gaan aan die betutteltrutterige gedragingen waarmee vrouwen zeer dominant kunnen uitpakken, zoals: stil maar. Welbeschouwd wordt er
niet getroost, maar afgepakt. Het verdriet wordt je niet gegund. En natuurlijk gun je jezelf ook geen
verdriet, maar je hébt het. Iemand die troost, is met je in je verdriet: het mag er zijn. Tranen mogen gehuild
worden, vloeken gezegd. Niets: sstt, rustig maar, kind. Ja, dat hoort hier ook bij: aangesproken worden met
kind, meisje. Een hele riedel van verkleinwoordjes wordt ongemerkt uitgestrooid: 't Is naar, maar u zal niet
terug kunnen naar uw huisje; het lijkt me verstandig als u uw bedrijfje van de hand doet; eet eerst uw
bordje eens lekker leeg, dat zal u goed doen. Echt, anno 1998 hoor ik dergelijke uitspraken nog geregeld in de
gezondheidszorg. Brrrr!!! Degenen die ze bezigen, blijken zich van geen kwaad bewust: ach, ik vind het zo zielig
voor hem. Brrrr: zielig! Geassocieerd worden met een zielenpiet, een zielenpoot: wie zit dáár op te
wachten? Saillant detail: als je het lef hebt de persoon in kwestie aan te spreken op het vernederende
infantiliserende gedrag, is de reactie veelal ontkennend: ach nee, zo moet je niet denken, ik bedoel het goed,
maak het jezelf toch niet zo moeilijk. In geval je je door dit verbale geweld niet af laat troeven,
wordt de toon van de betuttelaar vaak fel en word je keihard gedumpt: dan moet je het zelf maar weten, met jou valt
niet te praten! Als persoon in kwestie werkelijk door het hart gedreven was, was een vraag in de trant
van: beleef je dat echt zo?, niet uitgebleven. Als je troost, ben jij er op dat moment voor die ander en
niet omgekeerd. Als je troost, ben je bereid te luisteren, te ontvangen, van hart tot hart.
Samen
delen
Opmerkelijk is hoeveel mensen zowel zichzelf als anderen trachten te
troosten met het leed van anderen. Zodra je je nood klaagt over je lot, word je eraan herinnerd dat er mensen zijn die het véél erger hebben dan jij. Heb je het moeilijk
met je vochtbeperking? Er zijn hele volksstammen die nauwelijks te eten en te drinken hebben. Welbeschouwd zou
je je moeten schamen. Moet een van je tenen geamputeerd? Er zijn mensen waarvan een heel béén eraf
moet! Nu wordt het in het teken gezet van 'alleen maar': het is 'alleen maar' een teen. Moet je dan
meehuilen met de wolven in het bos? Waarom niet? Zowel beroepsmatig als privé word ik meermaals deelgenoot
gemaakt van intens verdrietige, schokkende dingen, die mij niet onberoerd laten. Mensen merken dat hun
pijn mij niet koud laat, vóelen dat. Een ervaring van erkenning is het gevolg. Gedeelde vreugd is nog altijd
dubbele vreugd en gedeelde smart nog altijd halve smart.
Een
deelgenoot, lotgenoot, kan van onschatbare waarde zijn.
Patiëntenverenigingen, ervaringsgerichte boeken en documentaires kunnen zowel gevoelens van erkenning als
herkenning oproepen. Het relativerende karakter van het feit dat jij niet de enige bent die een afstoting heeft,
met de kerstdagen alleen thuis zit, etcetera, kan dan de kracht krijgen van verbondenheid. Toch zijn er veel
mensen juist wars van hierboven genoemde zaken. Een blad als Wisselwerking wordt negatief gevonden, omdat
het handelt over nierziekten en alles wat daarmee te maken heeft. Strekking en toon van de artikelen doen
daar niets aan af. En enige tijd geleden vernam ik van een van de verpleegkundigen dat enkele patiënten het
moeilijk vinden om bij mij aan te kloppen met hun problemen, omdat het (hun) bekend is dat mijn man aan
kanker is overleden, mijn vader nierpatiënt was en samen met mijn moeder als gevolg van een
verkeersongeluk is omgekomen. Of ik één en ander verwerkt heb, ondergeschikt maak en dienstbaar aan degene wiens
gesprekspartner ik ben, is niet aan de orde. Blijkt maar weer dat wat voor de één helpend is, voor de ander
afschrikkend kan zijn. Daarmee raak ik aan hetgeen ik reeds eerder memoreerde: wat de één troost kan door de
ander als hol en leeg worden ervaren.
Al
deze valkuilen overziend, vind ik het nóg een wonder hoe vaak troost
wordt ondervonden. Wellicht omdat het leven er vol van is. Er zíjn die onvergetelijke blikken van
verstandhouding, er ís die arm om een schouder, dat nestje met drie kleine mereljongen, die maan - steeds wisselend maar
trouw - aan de hemel. Godzijdank (!) vinden tevens velen troost bij God.
Vermaard
is het bakje troost, waarmee een kopje koffie wordt bedoeld. Laten we
wel wezen: de aardse troost van eten en drinken (en vrolijk) zijn mag dan wel als niet zo hoogstaand
worden ervaren, en als je in het hart kijkt van een alcoholist zal je dikwijls zien dat verdriet kan zwemmen,
maar toch vervult de aardse troost de meest basale behoeften.
De
piramide van Maslow
De psycholoog en theoloog Abraham Maslow heeft een zogenaamde
behoefteschaal ontwikkeld, waarbij hij de fundamentele behoeften tekortbehoeften noemde en de hogere groeibehoeften.
Uitgangspunt is dat pas als de basisbehoeften bevredigd worden, de mens op een hoger niveau van behoeften
kan komen. Deze 'behoeftepiramide' is als volgt opgebouwd. De eerste laag wordt gevormd
door lichamelijke behoeften: voedsel, water, seks, rust. De tweede door behoefte aan veiligheid: de
afwezigheid van dreiging en gevaar, de aanwezigheid van geborgenheid. De derde door behoefte aan liefde: het
door anderen bemind worden en het liefhebben van anderen. De vierde door behoefte aan eigenwaarde: het
genieten van zelfrespect alsmede het respect van anderen. De vijfde door behoefte aan zelfactualisering: de
wil je vermogens te verwezenlijken. De top van de piramide wordt tot slot gevormd door
cognitieve behoeften: verlangen naar kennis. Vanaf de top kan de mens bewogen worden door de behoefte aan
rechtvaardigheid, schoonheid (bijvoorbeeld in de zin van kunst) en dergelijke. Als ik vanuit dit model
kijk naar de vochtbeperking waarmee chronische nierpatiënten moeten leven alsmede naar het bij hen veelvuldig
voorkomend verlies van libido, vind ik het een prachtprestatie dat menigeen tóch de top van de piramide
bereikt en volledig mens kan zijn. Een opsteker die, denk ik, verder reikt dan schrale troost.
Bouwen
Het gebeurt ook dat een mens ontroostbaar is. Na een onheilstijding stort
je hele wereld in, voel je je verslagen. Bij troost wordt snel gedacht aan opbeuren. Nou, dat werkt in
zo'n geval niet. Hooguit alleen maar averechts. In hun neiging om te troosten - in de zin van hoop geven - ,
vergeten mensen vaak hoe belangrijk de factor tijd is. Een bekende uitspraak luidt: de tijd heelt alle wonden.
Ik denk dat de tijd daarmee wel een heel erg zware taak heeft. Maar, samenlopend met de tijd, is er vroeg of
laat, altijd weer opnieuw een tijd om gestalte te geven aan het volgende troostvolle gedicht, ik weet niet
van wie:
Altijd weer opnieuw
bouwen aan je leven
met de stenen
van je stoutste dromen
en met de stenen
van je bitterste
en felste pijn
En altijd weer opnieuw
geloven
dat het kan:
de stenen van je dromen
en van je pijn
bijeen te voegen
tot een huis van liefde
voor wie eenzaam is.
Altijd weer opnieuw
aanvaarden
door de diepste nacht te gaan
en zaad te zijn
dat sterven moet
en graan te zijn
dat pletten moet.
En altijd weer opnieuw
geloven dat het
zeker is
dat in de diepste diepte
licht
en aan de verste einder
leven
wacht.
Altijd weer opnieuw
op weg gaan
met de zekerheid
vlak om de hoek
het wonder
te ontmoeten
in een glimlach
of een traan
in een handdruk
of een vloek.
En altijd opnieuw
geloven
dat het kan
geluk en pijn
bijeen te voegen
tot een vuur
van ware eeuwige
geborgenheid.
Dit artikel is eerder verschenen in het blad ‘Wisselwerking’, een
uitgave van de Nierpatiëntenvereniging LVD (Nr. 4/augustus 1998)
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zie ook:
workshop:
Ziekte en seksualiteit
terug naar boven |
|
|