| |
Door Lieneke
Koornstra
.
Technisch gezien is
in de medische wereld bijna alles mogelijk. Met gezonde organen van een
(overleden) medemens worden ernstig zieken nieuwe kansen gegeven. Toch
is techniek niet het enige criterium.
Vroeger verfde ik alles wat los en vast zat. Kastjes,
stoelen, kolenkitten en fluitketels moesten vaak meermaals aan een
verfbeurt geloven. Een vriendin die niet zo handig was met verf en
kwast, vroeg of ik haar fiets een ander kleurtje wilde geven. Geen
probleem. Tegen etenstijd begaf ze zich dik tevreden en geheel in stijl
met het toen heersende provotijdperk, op haar witte ros naar huis. Haar
ouders deelden die tevredenheid geenszins: woedend vroegen ze zich af of
wij gek waren geworden om een gloednieuwe fiets zo grondig te verpesten.
Wij vonden hun reactie dateren uit het jaar stof. Nu, ruim dertig jaar
later, kan ik me nog altijd in die twee tieners verplaatsen die zich
liever vertoonden op een hippe dan op een keurige fiets. Maar omdat ik
inmiddels óók weet wat het betekent om zelf de kost te moeten verdienen,
kan ik me eveneens voorstellen dat die ouders geen enkele waardering op
konden brengen voor onze, hún geld verspillende actie. Je moet iets
eerst zelf ondervinden, om te kunnen weten wat het in concreto inhoudt.
Een soortgelijke ervaring leidt echter nog niet automatisch tot een
eensluidend standpunt.
Verschillende geluiden
Wijlen bisschop Möller zei ooit over zijn donornier:
'Dankzij mijn transplantatie heb ik een nieuw leven gekregen.
Transplantatie is niet een kwestie van in leven gehouden worden. Het is
niet overleven, het is hèrleven. Ik voel me goed, Daar ben ik dankbaar
voor.' Een heel ander geluid komt van Steven Goossens: 'Voor de
transplantatie ging alles veel beter. Mijn dialyseperiode is goed
verlopen. Ik studeerde voor reclametekenaar, maar die studie heb ik
moeten afbreken vanwege alle complicaties na mijn transplantatie. Ik heb
te maken gekregen met het niet functioneren van de nier,
afstotingsverschijnselen, vochtophoping, huidkwalen, lichamelijke
veranderingen en botontkalking met uiteindelijk de rolstoel als
resultaat. Nu zit ik thuis met een uitkering.' Goossens voelt zich
misleid door de succesverhalen die de medische wereld,
patiëntenorganisaties, overheid en media over orgaandonatie en
-transplantatie verspreiden. Volgens hem is de informatieverstrekking
eenzijdig. De woorden van Möller zijn hoopgevend. Die van Goossens
alarmerend.
Tijdens een studiedag 'Pastoraat en orgaandonatie'1
betoogde ziekenhuispastor Bodewes: 'De berichten zijn doorgaans wervend
en positief. Er wordt een beroep gedaan op een rationele attitude ten
aanzien van de eigen dood en op solidariteitsgevoelens
met onbekende
zieke mensen. Daarbij wordt de problematiek van getransplanteerden, hun
beperkingen en geringe overlevingstijd, onderbelicht. Bovendien krijgen
mensen nauwelijks zicht op de gang van zaken rond een orgaandonatie. Het
beroep op de rationaliteit van de burger staat in een gespannen
verhouding tot de irrationele selectie van adequate informatie van de
kant van de overheid.' Steven Goossens staat duidelijk niet alleen met
zijn bezwaren. Daar kunnen we een uitroepteken achter zetten.
Tegelijkertijd kunnen we ook een vraagteken plaatsen. Want hoeveel 'Möllers'
zijn er tegen hoeveel 'Goossens'?
Hoopvol uitzien
Als je je oor te luisteren legt in dialyseland
hoor je wel eens wat. Heel veel ellende, trauma's van hen die weer terug
moesten naar dialyse met alle daarbij behorende beperkingen2. En heel
veel dankbaarheid, herinnering aan vreugde in relatie tot de donornier.
Zelfs als die donornier maar korte tijd heeft gefunctioneerd kan die
voor lange tijd heel veel hebben geschonken: de geboorte van een kind
bijvoorbeeld. Er kan van alles fout gaan in het leven. Het feit dat er
dagelijks mensen omkomen bij verkeersongelukken weerhoudt er nagenoeg
niemand van om vrolijk achter het stuur te kruipen. Op soortgelijke
wijze laat de gemiddelde nierpatiënt zich niet weerhouden om, alle
pechverhalen over transplantatie ten spijt, hoopvol uit te zien naar een
donornier. Enkele cijfers geven daarbij voldoende reden de hoop vooral
niet te verliezen: 80-90% van degenen die een nieuwe nier
kregen is hier
redelijk tot zeer tevreden mee. 4% van de ontvangers krijgt
een ernstig probleem aan het hart of de bloedvaten. 2,5 % van hen
overlijdt in de eerste weken. De kans op afstoting is door de
ontwikkeling in de medicijnen inmiddels gedaald tot minder dan 10%. Ruim
90% van de niertransplantaties slaagt dus werkelijk terwijl in de
tachtiger jaren de kans op afstoting gedurende het eerste jaar nog meer
dan 30% was. Statistisch gezien is de kans op een soortgelijke ervaring
als Goossens dus minder dan 10%. Logisch dat in dialyseland
transplantatie als de beste methode beschouwd wordt om chronisch nierfalen te behandelen. Weliswaar houdt een dialysepatiënt zichzelf
voor de gek als hij denkt patiënt af te zijn na transplantatie, maar de
door Bodewes bedoelde beperkingen staan in geval van een geslaagde
transplantatie in geen verhouding tot de last die een dialysepatiënt
dagelijks ervaart.
Gebrekkige voorlichting
Jaarlijks sterven in Nederland tweehonderd
wachtlijstpatiënten voor een nieuwe nier. Reden: een ernstig tekort aan
orgaandonoren4. Je kunt je afvragen of dit tekort te wijten is aan een
gebrek aan solidariteit met nierpatiënten. Ik kan het me niet
voorstellen. Toen in 2005 Zuid-Oost Azië door tsunami’s werd getroffen
was niet alleen de ontsteltenis wereldwijd maar óók de bereidheid om te
helpen. Medemenselijkheid bestaat dus wel dégelijk. Het uitschrijven van
een cheque is echter iets heel anders dan het invullen van het
donorcodicil. Dat laatste vraagt het stilstaan bij de eigen eindigheid,
de eigen dood. Dat komt pas écht dichtbij. En als mensen die
confrontatie al aangaan stuiten ze op de gebrekkige voorlichting over
postmortale orgaandonatie. De door Goossens en Bodewes in 1998 geuite
twijfel aan de objectiviteit ervan is helaas in 2007 nog altijd up to
date. Indertijd werd met geen woord gerept over enkele kwesties die wel
degelijk voor toekomstige postmortale donoren interessant zijn5. In
‘Sprookjes en feiten over orgaandonatie’6 is de uitleg helaas niet kort
en krachtig, maar kort en vaag. Zo blijft het spoken. Dat daarmee
voorbijgegaan wordt aan het uiteindelijke doel illustreert een
ingezonden brief van Drinoczy: ‘Jarenlang hebben mijn man en ik met een
donorcodicil op zak gelopen. Tot ik informatie wilde hebben over de
voorwaarden. Ik wilde bijvoorbeeld weten hoelang ik het lichaam van mijn
partner zou moeten missen bij gebruik van organen. Ik kreeg vage
antwoorden als ‘zo snel mogelijk’7. Solidair kan je pas zijn als je
wérkelijk weet waar je voor gaat. Daarbij is heldere en eerlijke
informatie van levens(!)belang.
Het
zwijgen doorbroken
De meeste mensen vrezen een nare dood. Derhalve staat menigeen positief
tegenover euthanasie. Probleem is dat euthanasie en orgaandonatie elkaar
uitsluiten. Om vitale organen voor transplantatie te kunnen gebruiken is
vereist dat na de dood de bloedsomloop nog intact is en kunstmatige
ademhaling wordt toegepast. Omdat er na het overlijden door euthanasie
geen sprake kan zijn van hersendood met een intacte bloedsomloop en
kunstmatige ademhaling, is het medisch gezien niet mogelijk in deze
situatie organen te explanteren8.
Doorgaans is er bij orgaandonatie echter sprake
van een onverwacht, traumatisch overlijden. In eerder genoemde
campagnesite van het NIGZ wordt gesteld dat er altijd voldoende tijd is
om afscheid te nemen van de overleden dierbare, zowel vóór als ná de
donoroperatie. Maar wie bepaalt wat voldoende tijd is? Bij een
donoroperatie zijn diverse uitnameteams betrokken waarvan sommige uit
het buitenland moeten komen. Hun werk gaat wél door! De tijd die alleen
al nodig kan zijn om alle dierbaren van de overledene op te trommelen
vóórdat de explantatie plaatsvindt, kan daarmee botsen. Ook de behoefte
van de nabestaanden om het lichaam van de overledene zo snel mogelijk
mee naar huis te nemen kan haaks staan op de tijd van de ongeveer zes
uur durende voorbereiding op de donoroperatie en de eveneens ongeveer
zes uur durende ingreep zelf.

Een aspect van geheel andere orde is dat met de
transplantatiegeneeskunde een medische technologie ontwikkeld is die de
eigen waarneming van leven en dood problematiseert. Voor de nabestaanden
is het vaak schokkend te zien dat het lichaam van de overledene er
'levend' bij ligt: het hart klopt nog, de huid is warm en normaal van
kleur, de nieren produceren urine. De handelingen bij de donor, zoals
bloedafnames, toediening van infusen en medicijnen, gericht op
preservatie van de organen, kunnen extra verwarring geven. De weliswaar
gediagnosticeerde dood wordt pas zichtbaar na de rit naar de
operatiekamer, als de explantatie een feit is. De ervaring van de
laatste ademtocht waarbij de stervende geleidelijk in een dood lichaam
verandert dan wel diens dode lichaam aflegt, wordt evenals de
mogelijkheid om juist dán nog een hand te strelen of vast te houden de
nabestaanden onthouden bij een postmortale orgaandonatieprocedure. Op
dit punt ontstaat het dilemma of het goed doen door het afstaan van
organen, op een moment dat ze voor jezelf nutteloos zijn geworden, aan
anonieme met de dood bedreigde mensen opweegt tegen het mogelijke extra
leed dat de eigen nabestaanden wordt berokkend als ze bij het ontijdige
en meestal onverwachte sterfgeval ook nog van het sterfbed worden
weggestuurd. Op grond hiervan wordt dikwijls gesteld dat toestemming tot
orgaandonatie een zaak is voor de nabestaanden. Als tegenargument geldt
dat nabestaanden troost kunnen putten uit het feit dat gehandeld is in
de geest van de overledene en dat door het onbaatzuchtige gebaar een
betere kans van leven wordt gegeven aan ernstig zieken. Sommige
nabestaanden zijn dermate positief over de donatie dat er tijdens de
uitvaartdienst van hun dierbare overledene codicillen zijn uitgereikt.
In een tijd waarin familie- en partnertransplantatie worden toegepast kan de vraag interessant zijn in hoeverre het mogelijk is de
nabestaanden tóch deel te laten hebben aan het overlijden van hun geliefde in geval de explantatie uitsluitend de nieren betreft. De
overledene kan dan, net als een operatiepatiënt, terug worden gereden naar de intensive care. Daarna kan in het bijzijn van de
familie, net als bij een patiënt waarbij sprake is van zinloos medisch handelen, de kunstmatige beademing worden stopgezet. Met
deze tot op heden ongebruikelijke weg kunnen zowel de nabestaanden als een nierpatiënt gediend zijn. Om deze weg te gaan moeten er
hobbels worden genomen. In de gezondheidszorg bestaat het criterium dat beademing na postmortale orgaandonatie niet kan worden
gecontinueerd. Daarop moet een uitzondering komen waar het uitsluitend de nieren betreft. Een hersendode zwangere vrouw kan in
het voordeel van de foetus maandenlang aan de beademingsapparatuur worden gehouden. Waarom zou dat niet voor één of twee uur
kunnen met een postmortale nierdonor in het voordeel van zowel de nabestaanden als twee nierontvangers? Omdat de wet zegt dat
iemand na postmortale orgaandonatie een kadaver is? Maar hoe zit het dan met die hersendode vrouw die aan de beademing blijft
omwille van de foetus: is dat dan geen kadavercouveuse? Er is ook nog het argument van teveel bloedverlies na uitname van beide
nieren. Waarom de nierslagaders niet gewoon afbinden in plaats van al het bloed weg te laten vloeien? Waar een wil is, kan een
weg zijn!
Overigens kan een postmortale nierdonatie ook
plaatsvinden zonder dat de overledene nog kunstmatig wordt beademd. Deze
handelwijze, die een non-heartbeatingdonatie wordt genoemd, is
gebruikelijk in geval iemand is overleden aan een hartstilstand. Daarbij
is het noodzakelijk dat de nieren geëxplanteerd worden als het lichaam
nog warm is. Dat houdt in dat de zojuist overledene met haastige spoed
naar de operatiekamer moet. Het afscheidsproces wordt daarmee bruut
onderbroken.
Na een donoroperatie voelt de overledene intens
koud aan, is erg wit als gevolg van het vele bloedverlies en heeft aan
de voorzijde van de romp een heel groot litteken. In geval behalve
organen ook bloedvaten, botweefsel, kraakbeen en pezen zijn uitgenomen,
kunnen de extremiteiten (benen en armen) van een flink litteken zijn
voorzien. De explantatie wordt met veel respect en zorg voor de
overledene verricht waarbij alles gedaan wordt om diens waardigheid weer
zo veel mogelijk terug te brengen.
Helden
In dialyseland worden mensen die bereid zijn tot (postmortale)
nierdonatie veelal als helden beschouwd. Heldendom heeft te maken met
grootse daden, met moed, met de bereidheid het eigen leven in de
waagschaal te leggen. Een arts die vanuit zijn beroep menig leven heeft
gered komt binnen deze definiëring níet in aanmerking voor de
heldenstatus, de terroristen die met de door hen gekaapte vliegtuigen de
Twin Towers invlogen echter wél. Voor de meeste westerlingen zullen
laatstgenoemden evenwel een geheel ander waardeoordeel verdienen.
Heldendom is dus een relatief gegeven. Bovendien kan iemand zich op het
ene moment heldhaftig gedragen, bijvoorbeeld door een kind van de
verdrinkingsdood te redden, en het andere moment laaghartig en
angsthazerig, bijvoorbeeld door bij een geweldsdelict bloosloos te doen
alsof hij het niet ziet.
Is iedereen die zich met bruikbaar ‘materiaal’ in
een kist laat stoppen een aso, een misdadiger, een moordenaar zelfs?
Iemand kan wél besluiten een nier bij leven te doneren aan een geliefde
bekende en tegelijkertijd afzien van postmortale nierdonatie. Iemand kan
jarenlang bloeddonor zijn en tóçh de beslissing om organen en weefsels
na zijn overlijden beschikbaar te stellen voor transplantatie overlaten
aan zijn nabestaanden. Is de ene heldendaad de andere waard? Menigeen
houdt vast aan de stelling ‘voor wat hoort wat’: stel jij je nieren
beschikbaar, dan heb jij ook recht op een nier als die van jou het
begeven. Met gelijke munt betalen heet dat. Enige logica zit er wel in.
Maar volgens diezelfde logica hoeven kinderlozen niet mee te betalen aan
kinderbijslag, consultatiebureaus, kinderopvang en wipkippen.
Met wie ben je solidair? Wie wordt jouw held? In
de Grote Donorshow9 vielen als kanshebbers op een nieuwe nier de
vijftigplussers als eersten af, toen de rokers en degenen die ooit
gerookt hadden, toen degenen die een weinig actief leven leidden, enz.
Waar ligt de grens? Waar leg jij jouw grens? En hoe zit het met ‘voor
wat hoort wat’ als je wél van mening bent dat een misdadiger af moet
vallen bij de toekenning van een nier terwijl jij wél een nier zou
willen hebben van een misdadiger? Kan je een nier van een ter dood
veroordeelde ontvangen terwijl je tegen de doodstraf bent?
Kort na de Grote Donorshow werd op internet een
nier aangeboden voor € 50.000. Moet je willen dat mensen ‘huid en haar’
als koopwaar aanbieden? En dat dit slechts ten gunste van enkele
kapitaalkrachtigen gebeurt? Dringt zich hierbij niet tevens de vraag op
hoeveel je vooraf kan beuren als je je organen na je dood beschikbaar
stelt? Hoe berekenend moeten we worden?
In de tachtiger jaren raakte een nefroloog in
opspraak die van zijn patiënten verlangde dat zij zelf eerst een
familielid aanleverden eer hij de patiënt bij Eurotransplant aanmeldde.
Wat te zeggen van een nefroloog die de betreffende aanmelding wél doet
maar tóch aan zijn patiënten vraagt vooral ook zélf in eigen kring
mensen te polsen over hun bereidheid bij leven een nier af te staan en
daar ook over in gesprek blijft met zijn patiënten? Welke inzet mag van
de dialyseafhankelijke patiënt zélf worden verwacht?
En hoe dwingend mag een patiënt zijn? Het woord
donatie is ontleend aan het Latijn en betekent geschenk. Een gift vindt
plaats op basis van vrijwilligheid: een verplichte gift is een
belasting, een afgedwongen gift diefstal. Het betreft een geven om niet.
De WOD10 gaat uit van een rechtmatige verdeling van organen en weefsels
waarbij de keus valt op degene die allereerst het beste matcht en
vervolgens het langste op de wachtlijst staat: behartigt dat het
principe van het geven om niet? Is een geen-bezwaar-systeem strijdig met
dit principe? Welke inzet mag van het volk worden verwacht als ze geen
postmortale orgaandonor willen zijn?
Geven
bij leven
Behalve voor de nierpatiënt zelf heeft de dialyse ook een impact voor de
partner, het gezin en overigen waarmee hij een innige band heeft. De
kans is groot dat hun besluit tot nierdonatie de levenskwaliteit van de
patiënt ten goede zal komen. Er staat echter veel op het spel. De donor
wacht een zware operatie die op korte en lange termijn lichamelijke
complicaties kan hebben. Zakelijk kunnen de gevolgen groot zijn. Het is
mogelijk dat afstoting van de nier een emotionele wissel trekt op de
donor. Als de donor geen gezinslid is kan diens gezin zich minder nauw
betrokken voelen bij het wel en wee van de dialysepatiënt. In dat geval
kunnen nadelige consequenties de donor zwaar worden aangerekend. Een
veelgehoorde klacht van zowel donoren als getransplanteerden is dat de
psychosociale opvang vanuit het ziekenhuis in gebreke blijft zodra het
medische karwei is geklaard.
Na de operatie is de beslissing onomkeerbaar. De
voor- en nadelen moeten goed worden afgewogen. Daarbij dient te worden
betrokken dat beide tegenovergesteld kunnen uitpakken.
Tillie van der Poel, die een nier schonk aan haar
zus, schrijft: 'Voorafgaand aan de transplantatie heeft menigeen tal van
waarschuwingen op mij afgevuurd: "Denk aan je loopbaan, dat zal een stuk
moeilijker worden" (...) "Een eigen huis kopen kun je wel vergeten, ze
geven jou geen hypotheek" (...). Ik ben er qua werk op vooruit gegaan.
Ik ben directeur geworden van een leuk bedrijf (...) Ik heb een huis
gekocht en de bank vond het een eer een hypotheek te sluiten met een
donor.' Het boek eindigt in een juichstemming. Zowel donor als ontvanger
beschikken over een normale nierfunctie, beperkingen zijn er niet.
'Enfin... jubel, jubel', zwaaien beide zussen letterlijk af11.
"Het geeft een enorme voldoening iemand die
zo dicht bij je staat beter te kunnen maken", vertelt René Bek die een
nier schonk aan zijn broer André. "Ik zag André wegkwijnen en wilde hem
zijn oude leven teruggeven. Het was jammer dat mijn nier maar drie jaar
meeging, maar dat vond ik vooral naar voor hém. Als je iets geeft is het
onvoorwaardelijk." José, de echtgenote van André, schonk eveneens een
nier. Zij benadrukt dat het niet gaat om 'ik of hij' maar om 'wij':
"Wanneer hij lijdt, lijden wij samen."
De medische historie van André is uniek: hij ontving vier keer een
nieuwe nier van levende donoren. Tot vier keer toe kwamen zijn donoren
zelf met het aanbod. "Ik zou het niet durven vragen, niet kúnnen," zegt
André zelf hierover. "Ik heb ook altijd moeite gehad met het accepteren
van het aanbod. Je kunt het aannemen uit liefde, je kunt het ook afslaan uit
liefde." Zijn behandelend arts prof. dr. W. Weimar spreekt in dit
verband van de emotie van het kunnen geven en de emotie van het durven
ontvangen12. Kunnen ontvangen is eveneens een ingrijpende activiteit.
Nieuwe
ontwikkelingen
Sinds enkele jaren wordt onderzoek gedaan naar
xenontransplantatie waarbij dierlijke organen, voornamelijk van varkens,
in het menselijk lichaam worden overgebracht. Daarnaast is er een
ontwikkeling in de stamceltheorie waarbij onderzoek wordt gedaan in de
richting van het zelf opkweken van menselijke organen uit de eigen
stamcellen van een mens. Zolang deze methoden echter nog in de
kinderschoenen staan blijft de dialysepatiënt afhankelijk van
orgaandonaties. Daarbij is het aantal mensen dat bereid is tot
postmortale nierdonatie voor de belanghebbenden teleurstellend en het
aantal mensen dat zich als levende donor presenteert verrassend, zoals
blijkt uit de toename van partner-, familie- én cross-overprocedures met
koppels. Dat vraagt om nader onderzoek!
Keus
van het hart
Niertransplantatie wordt thans nog als de beste
nierfunctievervangende therapie beschouwd. Voor degenen die op een
donororgaan wachten is het onaanvaardbaar dat de gemiddelde burger niet
staat te dringen om zich in orgaandonatie te verdiepen. De meeste mensen
houden zich echter liever niet bezig met ziekte en dood. Als hij of zijn
naaste er eenmaal door wordt getroffen, kan hij er niet langer omheen.
Dikwijls volgt lidmaatschap van een patiëntenvereniging die qua
doelgroep bij zijn leed aansluit. Orgaandonatie kan ineens een hot item
worden. De mens kijkt vaak niet verder dan zijn eigen kringetje groot
is. De bereidheid om verder te kijken is vooral een kwestie van het
hart. Het getuigt niet van redelijkheid om orgaandonatie louter
rationeel te benaderen. Het hart kent altijd redenen die de rede niet
kent. Sommigen beangstigt dat. Maar juist het 'meer dan enkel
verstandelijke' maakt een keus tot een dieppersoonlijke keus. Een keus
van het hart, daar ligt alles in: verbondenheid, krachten, weerstanden,
ervaringen, angsten, alles. Zo'n keus vraagt niet om veroordeling, maar
om uitnodiging tot een uitwisseling van hart tot hart. Die wisselwerking
kan een hernieuwd begrip bieden. Daarmee zijn nieuwe openingen een feit.
Nogmaals
verschillende geluiden
Stel je je organen na je dood beschikbaar of niet? Met deze vraag
heb ik vijf medewerkers van het Medisch Centrum Alkmaar benaderd. Hun
antwoorden zijn divers.13
Supermens
Jantien Aardema, trainer-opleidingsadviseur:
Een kennis van mij is herboren na een longtransplantatie. Orgaan- en
weefseldonatie zie ik als een mogelijkheid om leven door te geven. Als
jij geen kansen meer hebt om te leven geef je de ander een impuls van
leven. Mijn getransplanteerde kennis noemt zijn donor een supermens: zó
belangrijk word je ervaren door je medemens, dat is toch fantastisch?
Mijn kennis práát niet over wat hij wil, hij dóet het. Hij grijpt het
leven met beide handen aan. Ik vraag me wel eens af of er zoiets intens
moet gebeuren eer je het leven met beide handen aanpakt. Ik ben voor
orgaandonatie, maar sta niet geregistreerd. Door de hectiek van de dag
is mijn donorcodicil destijds tussen de oude kranten beland. Het valt
ook niet mee om over je eigen stoffelijkheid te denken: het enge komt
naar boven, waardoor het vele dat je voor de ander kunt betekenen in de
vergetelheid raakt. Maar ik ga nu écht actie ondernemen, want dit is
toch de meest makkelijke manier om een supermens te zijn?
Te groot
offer
Tineke Jonker, administratief medewerker:
Mijn 15-jarige neef kwam na een ongeluk met zwaar hersenletsel op de
intensive care terecht. Zijn ouders stemden in met orgaandonatie, dat
was helemaal in lijn met de levensinstelling van die jongen. Maar ze
wilden zijn lichaam ook zo snel mogelijk mee naar huis nemen. En dat kon
niet vanwege allerhande procedures. Daar sta je dan. Na heel veel heen
en weer praten en geregel kregen zij te horen dat ze boften: na zes uur
konden ze hun zoon thuis krijgen. Je hebt net je kind verloren en dan
word je verteld dat je boft! Geheel naakt, zelfs zonder enige toedekking
van de enorme littekens, werd de jongen thuis afgeleverd. De impact die
dát heeft gehad bovenop al het verdriet dat er toch al was. Het is
natuurlijk geweldig als je veel voor je naasten over hebt middels
orgaandonatie, maar je nabestaanden zijn óók je naasten en die staan
veel dichterbij en moeten óók verder. Ik vind de voorlichting over het
afstaan van organen en weefsels slecht. Wie van degenen die hun
donorcodicil hebben ingevuld zijn op de hoogte van de bijkomende
procedures? Wie van hen weten dat orgaandonatie en euthanasie elkaar
uitsluiten? Het offer is veel te groot!
Waarde
Björn van Geel, neuroloog:
Mensen met ernstige neurotraumata komen in de regel
op de intensive care terecht. Als gevolg van onherstelbare hersenschade
kan de hersendood intreden. Samen met de intensivist zoek ik een moment
uit om de directe naasten uit te leggen dat het door de mechanische
ondersteuning weliswaar lijkt alsof hun dierbare nog leeft, maar dat de
laatste ademteug al heeft plaatsgevonden. Als arts dien je de grootst
mogelijke zorgvuldigheid in acht te nemen om donatie aan de orde te
stellen. Afhankelijk van wat er in het donorregister staat, wordt het
gesprek aangegaan. Als wij merken dat er bij de directe naasten
weerstand ontstaat, dringen wij niet verder aan, ook al heeft de
stervende zich wél als donor laten registreren. Je staat er niet alleen
om organen en weefsel uit een lichaam los te peuteren, je staat er ook
om degene die daar ligt met waarde te laten gaan.
Donorzorg
Anne-marie van den Berg-Rooijakkers,
donatiefunctionaris:
Donorzorg is patiëntenzorg. De randvoorwaarden voor
deze zorg moeten zo optimaal mogelijk zijn. Om dat te bereiken zorgt de
donatiefunctionaris voor scholing, voorlichting en ondersteuning van de
artsen en verpleegkundigen d ie dit type zorg leveren. Soms doen zich bij
een donatieprocedure knelpunten voor. Die probeert de
donatiefunctionaris met de betreffende personen en/of organisaties te
bespreken en op te lossen. Belangrijk is dat de familie goed
geïnformeerd is over wat er gaat gebeuren. Bijvoorbeeld dat de
voorbereiding op de donoroperatie ongeveer zes uur duurt en de ingreep
zelf eveneens. Mensen weten vaak niet dat er logistiek heel veel
geregeld moet worden: diverse uitnameteams – waarvan sommige uit het
buitenland moeten komen – zijn bij de donoroperatie betrokken en de
transplantatieziekenhuizen moeten de ontvanger oproepen en operatieklaar
maken. Belangrijk is ook dat de familie verteld wordt dat de overledene
na de donoroperatie intens koud aanvoelt, heel wit is en een groot
litteken heeft. Respectvolle omgang met de nabestaanden, maar zeker ook
met de donor vind ik belangrijk. Daarmee bewijs je hem de laatste eer.
Dat lijkt mij een passende blijk van dankbaarheid aan de mens die bereid
was de kwaliteit van leven van anderen te helpen verbeteren. Ook al heb
ik één keer meegemaakt dat een uitnameteam niet zorgvuldig omging met de
donor, toch vormt dit voor mij geen beletsel om zelf donor te zijn.
Kwaliteit van leven
Jos van Geelen, internist-nefroloog:
Ik vind het vanzelfsprekend dat je na je dood je
organen en weefsels doneert. Je bent hersendood en niet meer betrokken
bij wat er nog met je gebeurt. Je kunt er vele anderen mee helpen. Ik
kan me niets voorstellen bij de onzinnige gedachte dat je in een volgend
leven minder compleet bent na orgaandonatie of dat het gedrag van de
gedoneerde overeenkomsten gaat vertonen met dat van de donor. Ten
behoeve van niertransplantatie wordt steeds vaker een beroep gedaan op
levende donoren. Ik ben aangenaam verrast te zien hoeveel mensen daartoe
bereid zijn. Mensen zijn enerzijds vaak enorm met hun gezondheid bezig
maar laten anderzijds zomaar in hun lichaam snijden om een orgaan af te
staan. Het gemak waarmee men accepteert dat één nier overbodig is: hoe
ligt dat als het bijvoorbeeld om een oog zou gaan? Maar betrokkenen zien
dat de kwaliteit van leven van de dialysepatiënt behoorlijk te wensen
overlaat. Van agressief ronselen ben ik geen voorstander, wel van
cross-overprocedures met koppels. De resultaten zijn zeer goed.
Nawoord
Bij het schrijven van dit artikel heb ik me terdege gerealiseerd dat
sommige passages bij lezers onaangename gevoelens kunnen oproepen. Mijn
bedoeling is geweest meerdere kanten van orgaandonatie te laten zien. In
mijn beroepspraktijk heb ik maar al te dikwijls gezien dat het beter is
vooraf goed geïnformeerd te zijn in plaats van achteraf te moeten
constateren dat je iets tot je grote spijt niet hebt geweten.
Voor nog meer informatie
attendeer ik u graag op het boek "De hele waarheid", auteur 'Pamela
Stark', een uitgave van 'Papieren Tijger'. ISBN 90 6728 189 1.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1.
In 1998 georganiseerd door
het KASKI, een instituut voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek, studie
en advies.
2.
Zoals eeuwig dorst, voortdurende vermoeidheid, onrustige benen,
jeuk, libidoverlies.
3.
Bron: Nederlandse Vereniging Nierpatiënten.
4.
Bron: De website van Kiesbeter.
5.
Zie: de folder 'Donor worden, de tien meestgestelde vragen',
uitgegeven door het Ministerie van VWS.
6.
Een in 1005 vervaardigde campagnesite van het NIGZ die nog
steeds actueel is.
7.
Volkskrant 9 juni 2007.
8.
Bron: Nederlandse Vereniging voor Euthanasie.
9. Uitzending
van BNN dd. 01/06/2007 waarin een terminale kankerpatiënt een van haar
nieren beschikbaar stelde aan een
door haar zelf uitverkoren dialyserende (aan het
eind van de uitzending bleek het een stunt waarbij de nierpatiënten echt
bleken te zijn maar de kankerpatiënt gespeeld).
10.
Wet op de orgaandonatie.
11. Uit: 'Een nier twee levens', een uitgave van Intro, ISBN
9055740721.
12. Zie: 'Dansen in het zand - een leven in geschonken tijd', auteur
André Bek, een uitgave van Lezerspoort, ISBN
9088230011.
13. Deze reacties zijn eerder gepubliceerd in het blad 'Scoop', een
uitgave van het Medisch Centrum Alkmaar (oktober 2005).
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Onder deze titel verscheen eerder een artikel in het blad
‘Wisselwerking’, een uitgave van de Nierpatiëntenvereniging LVD (Nr
5/oktober 1999). In juni 2007 werd het geactualiseerd en waar nodig
herschreven.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zie ook:
artikel:
Wel
of geen niertransplantatie
terug naar boven |
|
|