|
|
Door Lieneke Koornstra .
Het heft in eigen handen nemen is iets heel anders dan met de mond
vol tanden staan. In het leven, zeker van patiënten, gaat het vaak om
zélf doen. Maar zélf doen hoeft niet te betekenen alléén doen.
Soms wil
iets helemaal niet. Zoals nu bijvoorbeeld: de tijd begint te dringen om
een column aan te leveren voor het blad Wisselwerking en de geest wil maar niet uit de fles. Ik
begin een zin, soms volgt er nog één, en dan blijft het weer steken. Hupsakee, daar drukt mijn vinger weer op de
'delete'-toets, zodat al de geproduceerde lettertjes razendsnel verdwijnen. Dat heb ik intussen al
vele malen gedaan. Ik heb het gevoel met de mond vol tanden te zitten.
Dat
heb ik wel vaker meegemaakt. In totaal andere situaties overigens. Onder
meer toen ik nog op school zat. En een beurt kreeg terwijl ik mijn huiswerk niet geleerd had. Of het wél
geleerd had, maar me de stof toch niet meer herinnerde. Het is me ook wel overkomen dat ik in relatie met
een arts geen woord meer wist uit te brengen. Terwijl ik doorgaans best assertief ben. Buitenstaanders weten
dikwijls precies te vertellen wat zij onder dergelijke omstandigheden zouden hebben gezegd. Achteraf weet ik dat
zelf ook wel te bedenken.
Niet
afzien
Geregeld krijg ik van patiënten te horen dat ze compleet dichtklapten toen
een zorgverlener blijk gaf van onprofessioneel gedrag. De boosheid die één en ander oproept keert zich
daarbij vaak nog naar binnen ook. 'Ja, het zou fantastisch zijn geweest als je meteen heel gevat had
gereageerd', luidt doorgaans mijn reactie, 'maar zelfs een profvoetballer schiet niet altijd raak, laat staan als hij
net een enorme stomp in zijn maag heeft gehad'. Een volgend punt van aandacht is het aanboren van de
mogelijkheid om op zaken terug te komen. 'Is dat niet een beetje laat?', klinkt het dikwijls bezwaard.
'Beter laat dan nooit, beter te laat dan "never-nooit"', ben ik overtuigd. De boosheid moet dáár komen te liggen
waar hij thuishoort: in dit geval bij die zorgverlener die zich gedroeg met de charme van een olifant. Hup, daar
knijpt de keel weer dicht, want oei, hoe zal de reactie zijn? Misschien is er dan wéér die
tegenwoordigheid van geest niet om met een gepast weerwoord te komen! Alsof lik op stuk geven de verhoudingen zo ten goede
komt. Geen punt misschien als je de zorgverlener in kwestie nooit meer hoeft terug te zien. Maar als je als
gevolg van een chronische ziekte een langdurige behandeling nodig hebt, zoals bijvoorbeeld dialyse, wordt
het afzien. En juist dát moet je jezelf niet aandoen. Dat is een kwestie van kiezen. Als je de keus maakt
om in plaats van áf te zien ín te gaan zien, reken maar dat er dan overzicht en uitzicht ontstaat. Inzicht
kan je aan een goede analyse helpen, zowel van jezelf als van de andere partij.

Helikopterview
Zo herinner ik me het verhaal van een patiënte waarbij zich de ene na de
andere complicatie voordeed. Ze raakte compleet wanhopig. Vanuit haar wanhoop zette ze overal vraagtekens
achter, ook achter het tot dan toe gevoerde medisch beleid. De arts aan wie ze één en ander voorlegde,
was heel snel met haar klaar: 'U bent ziek', zei hij, 'ik praat wel met u als u weer beter bent'. Vervolgens
liep hij weg. Wanneer in een dergelijke situatie inzicht wordt vergaard, is er van alles te zien. Bijvoorbeeld dat
de betreffende vrouw weliswaar patiënt is, maar daarom toch zeker niet gek, en dat de manier waarop ze de
tegenpartij tegemoet is getreden, wel kwaad bloed moest zetten omdat die toch erg beschuldigend
was. Bij de arts valt er natuurlijk ook het nodige te zien. Misschien wel dat hij achter zijn onhebbelijke
houding zijn onmacht verbergt.
Is de
analyse eenmaal helder, dan kom je tot overzicht. Tegenwoordig wordt dat
wel een helikopterview genoemd. Je overziet nu dat de met zijn onmacht geconfronteerde arts, zich
ongemakkelijk voelt en dat de kans groot is dat hij zich steeds ongemakkelijker gaat gedragen, als zijn
kunnen ook nog eens in twijfel wordt getrokken. Vanuit het verworven overzicht kan worden overgegaan tot het
bewust sturing geven aan het geheel. Uitspraken in de trant van: 'Dokter, ik weet niet wat ik er nog
mee aan moet, wat denkt u er van?' of 'Dokter, ik heb er niet zo veel verstand van, wilt u eens met mij
meedenken?' creëren een sfeer waarin de arts zich onbedreigd kan voelen. Gewoon uitproberen of het werkt!
Win-winsituatie
Daarmee zijn we aangekomen bij een uitzicht op een win-winsituatie. De
arts kan de houding aannemen van de welwillende superioriteit, waarbij hij zich kan uitspreken in de trant
van: 'Als ik jou was, zou ik het zus en zo aanpakken'. Hij kan z'n hart tonen door werkelijk iets vanuit zichzelf
te zeggen, zoals bijvoorbeeld: 'Wist ik maar waar die ontsteking vandaan komt. Ik hoop dat dit nieuwe onderzoek
de oorzaak aan het licht brengt. Het valt niet mee om zo lang in onzekerheid te zitten, daar zit ik zelf
ook mee, en al die onderzoeken die u steeds maar krijgt, dat is ronduit naar.'
Natuurlijk
kunnen we er bezwaar tegen hebben dat een patiënt zo zijn best moet doen
om de verhouding met een arts een positief verloop te laten hebben. Maar doet de patiënt dat
niet, dan gaat hij eraan onderdoor. In het leven moet je verdraaid vaak jezelf zien te redden. Fantastisch toch,
als je dat kunt? Dat brengt je in contact met plezier om jezelf, liefde voor jezelf, vervulling van jezelf.
Niet afzien, maar opbouwen.
Het
hogerop zoeken
Maar wat als er werkelijk niets valt op te bouwen en je, als gevolg van
een chronische behandeling, toch voort moet met een patiëntonvriendelijke zorgverlener? Het hogerop zoeken. De
klachtencommissie van het ziekenhuis inschakelen is de meest logische eerste stap. Bepaald geen
gemakkelijke stap, als je toch al ziek bent, weinig energie hebt en vreest dat de commissieleden handje klap
spelen met de aangeklaagde hulpverlener. Zet je echter die moeilijke stap niet, dan blijft het ook
tobben. Terwijl je toch al ziek bent, weinig energie hebt en de falende hulpverlener een vrijbriefje geeft.
Zwijgen kan goud zijn, maar zwijgen kan ook desastreus zijn. Een tekortschietende hulpverlener hoeft niet aan de
hoogste boom geknoopt te worden, maar moet gecorrigeerd worden, zo snel mogelijk en zo nodig van bovenaf.
Daarom is het bijvoorbeeld ook heel goed dat indertijd steeds meer mensen die met ziek en zeer te kampen
hebben, ruchtbaarheid bij de Consumentenbond hebben gegeven aan de toenmalige slechte organisatie bij
de ziektekostenverzekeraar het Zilveren Kruis. In de rubriek 'Actie & Nieuws' in de Consumentengids van
december 1998 kon derhalve worden vermeld dat er maatregelen getroffen zijn waar de verzekerden hun voordeel
mee kunnen doen. Een andere, zeer recente, mogelijkheid waar je je toevlucht bij kunt zoeken om
ruchtbaarheid te geven aan je slechte bevindingen bij een hulpverlener, is internet.
Recht
doen
Op zich is er niets mis mee om open te zijn over fouten in de
dienstverlening, zolang hierbij een vorm wordt gekozen die zowel de behandelaars als de patiënten recht doet. Menig
patiënt vergelijkt zijn eigen situatie met die van een lotgenoot. Daarbij worden variabelen, zoals
de verdere en eerdere kwalen, meestal niet meegenomen. Toch kunnen deze van prominent belang zijn bij
het uiteindelijke resultaat van een bepaalde behandeling. Het kan de bedoeling nooit zijn dat een arts een
slecht naamkaartje krijgt doordat appels en peren met elkaar worden vergeleken. Evenmin kan het de bedoeling
zijn dat de medicus een zwarte stip krijgt, conform het gebruik van weleer om de brenger van slecht
nieuws te doden. De welwillende patiënt zal dat beamen. De inbreng van de andere partij is onontbeerlijk. De
onwelwillende hulpverlener zal daarbij misschien proberen te sjoemelen en mogelijk in staat zijn vakgenoten te
vinden die hem loyaal de hand boven het hoofd houden. 'Onder het mom van collegialiteit genieten zwakke
vakbroeders veel bescherming, dat is publiek geheim', betoogt Renée Braams in het artikel 'De dodenscore
van de dokter'. Heel naar, maar nog geen reden om totaal ontmoedigd te raken. Braams bericht dat
ziektekostenverzekeraars het er in New York op aan hebben gestuurd dat er openheid werd gegeven over de
resultaten van hartchirurgie. Eenentwintig hartchirurgen belandden helemaal onderaan in de rij en zochten hun emplooi
maar gauw elders of gleden weg in een depressie. De hoge scoorders kregen uiteraard een toeloop van rijke
patiënten. Maar zij kregen ook de plicht opgelegd om de slechtsten de kneepjes van het vak te leren. Het
resultaat was een sterke daling van de algehele dodenscore. Braams brengt hierbij dokter Richard Dal Col in
beeld, die een complete ommezwaai maakte van een desastreuze naar een fameuze arts. Samen met de Inspectie
voor de Volksgezondheid zocht Dal Col uit wat de oorzaak was van de slechte prestaties van zijn
operatieteam. Aan de hand hiervan corrigeerde hij zijn werkwijze. Gevolg: In 1992 had hij een
risico-gecorrigeerde-dodenscore van maar liefst 7,4 en in 1995 van slechts 0,79.
Dat
mensen het in hun vermogen hebben om zó te veranderen: daar kan ik
helemaal stil van worden. Maar wel anders stil dan tijdens de aanvang van het schrijven van deze column.
Daarom kan ik nu ook met een gerust hart een punt zetten.
Dit artikel verscheen eerder in ‘Wisselwerking’, een uitgave van de
Nierpatiëntenvereniging LVD (Nr. 1/februari 1999)
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zie ook:
artikel: Ja
kun je krijgen
workshop:
Voor jezelf opkomen bij ziekte
terug naar boven |
|
|