Acuut solliciteren

Een strakblauwe hemel, een fel schijnende zon, het terras zit vol. Een duif scharrelt tussen de zitjes. Zijn ene pootje is verkleefd. Kennelijk is de vogel op iets geland dat erg heet is geweest.
‘Nog iedere dag blij dat ik van dat UWV af ben’, klinkt het aan een tafeltje verderop. De man die het zegt, een managerstype van eind veertig, neemt een slok van zijn bier. ‘Ronduit belachelijk dat ze je maar een half jaar geven om zelf iets op te bouwen. Die lui daar zijn allesbehalve realistisch.’
Zijn gesprekspartner, op het uiterlijk afgaand zou ze zomaar een zus van Maxima kunnen zijn, pakt een bitterbal die ze eerst in de mosterd dipt voordat ze hem in twee happen verorbert.
De man rekent verder af met het UWV: ‘Op een dag kreeg ik een mail van die lui. Ik moest acuut solliciteren. Als jobcoach. Bij hen, jawel. Ik een keurige brief geschreven. Een en al motivatie. Nooit meer iets op gehoord. Soms kreeg ik een oproep om te solliciteren op volgens hen 99% passend werk. Coach-ondersteuner bij een cliëntenraad geestelijke gezondheidszorg, ervaringsdeskundigheid een pré. Afgewezen, natuurlijk. Moet ik nou werkelijk bedroefd zijn omdat ik nog nooit een psychiater nodig heb gehad? Transplantatiemanager. Ja hoor, voor 99% op het lijf geschreven. Maar die ene procent is wel cruciaal: ik ben geen arts of IC-verpleegkundige.’
Hij neemt nu ook een bitterbal. Zij nipt van haar wijn. Niet ver bij haar voet vandaan pikt de duif enkele kruimels van de grond.
‘Niet om vrolijk van te worden, laat staan om mee aan de bak te komen’, zegt zij. ‘Als je ouder bent dan veertig ben je sowieso kansloos op de arbeidsmarkt.’
‘Absoluut. Was ik eindelijk eens een keer uitgenodigd, zie ik bij een van mijn gesprekspartners LFTD op mijn cv staan. Eén keer raden waarvoor dat staat. Leeftijd.’
In de klap waarmee de man zijn bierglas terugzet op tafel, klinkt al zijn frustratie door. ‘Het is zo kansloos. In drie jaar tijd ruim 500 sollicitaties verder. De overheid wil dat we langer doorwerken, maar ze bedoelt gewoon dat we twee jaar langer op onze AOW moeten wachten. Er is geen werk voor werkloze 40-plussers. Ja, als vrijwilliger of mantelzorger ligt het werk voor het oprapen. Regelrechte deformatie van beroepskrachten.’
‘Hoe kom je nu rond?’, wil zij weten.
‘De erfenis van mijn ouders. En wie weet kan ik binnenkort enkele doeken verkopen. Ik heb een expo geregeld.’ Nu lacht hij. Zij ook. Zij heft haar glas. ‘Mooi zo!’
‘Ik voel me eindelijk vrij om te schilderen. Niet dat ik het nooit deed in die afgelopen periode. Maar exposeren? Geen haar op mijn hoofd. Stel je voor dat ik iets zou verkopen. Dan zouden al mijn artistieke uitingen ineens als werk beschouwd worden.’
Een volgende bitterbal moet eraan geloven. Ook zij tast nogmaals toe.
‘Je werk heeft potentie’, meent zij.
De duif, die intussen een paar meter verderop zit, vliegt zonder direct aanwijsbare reden verschrikt op.
‘Je vraagt er toch wel een flinke prijs voor? Echt niet onder de 2500 euri gaan zitten, hoor, want dan vinden ze het niets waard.’ De Maxima look a like walst het restje wijn in haar glas.
‘Wat zou jij ervoor over hebben om een echte Verbeek* bij je aan de muur te hebben?’
‘Goudgeld. Maar zo is onze relatie niet.’
‘Tactisch, hoor.’ Hij vist een pakje sigaretten uit de linker zak van zijn colbert, klopt enkele sigaretten omhoog. Zij neemt er een. Beiden hullen zich in rook.
‘Ik zou ermee moeten stoppen’, verbreekt zij de stilte.
‘Waarmee?’
‘Met roken. Bij mijn oudste zus is nu ook borstkanker geconstateerd. Die rotziekte zit dus echt bij ons in de familie. Ze willen ons allemaal screenen. Maar ik weet niet of ik daaraan wil meewerken.’
‘Wat afschuwelijk! Maar eh… voorkomen is toch beter dan genezen?’, is hij overtuigd.
‘Ik weet niet of ik al die behandelingen wel wil. Daarbij, een mens heeft ook het recht om niet te weten. Dat wordt al te dikwijls vergeten.’ Ze blaast een rookpluim de lucht in. ‘Ik wil de patiënten de kost niet geven die tegen kanker werden behandeld en na een lange lijdensweg toch het loodje legden. Ik kan die patiënten zelfs de kost niet meer geven, al zou ik het willen.’ Ze gooit haar sigaret op de grond en vermorzelt hem onder een van haar extreem hoge hakken.
Hij drinkt het laatste bodempje bier uit zijn glas. ‘Misschien ontspring je de dans. Dat weet je als je je laat screenen.’
‘Als het bingo is beland ik niet alleen in de handen van de medische sector maar ook van het UWV. Zullen we er nog maar eentje nemen op onze gezondheid?’

*) Naam is gefingeerd.